Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving(4)
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(2)
  • Jurisprudentie(136)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur(7)
  • Recent(16)
  • Soft Law(31)

De zogenoemde IDECA-belasting van de Junta de Andalucía (belasting op deposito’s van klanten bij kredietinstellingen in Andalusië) biedt onder andere fiscale voordelen aan banken die hun hoofdkantoor gevestigd hebben in de autonome regio Andalusië. De IDECA-belasting voorziet ook in belastingaftrekken die uitsluitend worden toegekend aan kredietinstellingen met hoofdzetel of agentschappen op het grondgebied van de regio Andalusië.

Novo Banco S.A. is van mening dat de IDECA-belasting de facto lijkt neer te komen op het belasten van banken die niet hun hoofdkantoor in de autonome regio Andalusië hebben.

Het Tribunal Supremo (Spanje) wenst van het HvJ te vernemen of de IDECA-belasting verenigbaar is met de vrijheid van vestiging, het vrij verrichten van diensten en het vrije verkeer van kapitaal. De verwijzende rechter stelt verder een vraag inzake de aard van de IDECA-belasting. In het bijzonder wenst hij te vernemen of deze belasting gekwalificeerd dient te worden als een indirecte belasting. En, zo ja, of een en ander verenigbaar is met de Btw-richtlijn, rekening houdend met het bepaalde in artikel 401 en artikel 135, lid 1, onderdeel d, Btw-richtlijn.

Het HvJ verklaart het volgende voor recht:

1. De in artikel 49 VWEU neergelegde vrijheid van vestiging moet aldus worden uitgelegd dat zij, in het geval van aftrekken die in mindering worden gebracht van het brutobedrag van een belasting op deposito’s van cliënten van kredietinstellingen met hoofdzetel of agentschappen op het grondgebied van een regio van een lidstaat,

a) zich ertegen verzet dat er op het brutobedrag van die belasting een aftrek van € 200.000 in mindering wordt gebracht ten gunste van kredietinstellingen die hun hoofdzetel op het grondgebied van die regio hebben;

b) zich niet ertegen verzet dat er op het brutobedrag van die belasting aftrekken van € 5.000 in mindering worden gebracht per op het grondgebied van die regio gevestigd agentschap, waarbij dit bedrag wordt verhoogd tot € 7.500 voor elk agentschap dat is gelegen in een gemeente met minder dan 2.000 inwoners, tenzij deze aftrekken de facto leiden tot niet te rechtvaardigen discriminatie op grond van de plaats van de zetel van de betrokken kredietinstellingen, hetgeen aan de verwijzende rechter staat om na te gaan;

c) artikel 63, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het, in geval van een belasting op deposito’s van cliënten van kredietinstellingen die hun hoofdzetel of agentschappen op het grondgebied van een regio van een lidstaat hebben, zich ertegen verzet dat het bedrag aan kredieten, leningen, en investeringen die zijn bestemd voor projecten in die regio wordt afgetrokken van het brutobedrag van die belasting, voor zover met deze aftrekken een zuiver economisch doel wordt nagestreefd.

2. Artikel 401 Btw-richtlijn moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling tot invoering van een belasting die door kredietinstellingen verschuldigd is wegens het aanhouden van cliëntendeposito’s waarvan de grondslag overeenkomt met het rekenkundig gemiddelde van het driemaandelijkse saldo van die deposito’s en die de belastingplichtige niet aan derden mag doorrekenen.

Rubriek(en)
Europees belastingrecht
Belastingtijdvak
2012
Instantie
HvJ
Datum instantie
25 februari 2021
Rolnummer
C‑712/19
ECLI
ECLI:EU:C:2021:137
Auteur(s)
Wouter Blokland
Vrije Universiteit/Hof Amsterdam
NLF-nummer
NLF 2021/0624
Aflevering
25 maart 2021
Judoreg
NFB4211
bwbv0001506&artikel=49,bwbv0001506&artikel=63,celex32006l0112&artikel=135,celex32006l0112&artikel=401

X