Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

X (belanghebbende) heeft in de jaren 2016 en 2017 betaalde zorg verleend aan mevrouw Y met wie zij bovendien een vriendschappelijke relatie onderhield. Mevrouw Y is in 2018 overleden. X was verplicht om per week gedurende 24 uur respectievelijk 35 uur zorgtaken te verrichten tegen een bruto-uurtarief van € 20. Zij reisde 242 kilometer per dag op en neer naar Y om voor haar te zorgen. X heeft de uit het aan Y toegekende pgb ontvangen inkomsten in de aangiften IB/PVV 2016 en 2017 als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking verantwoord. De SVB heeft over deze inkomsten loonbelasting ingehouden zonder rekening te houden met een onbelaste reiskostenvergoeding.


In geschil is of de Inspecteur de door X in de aangiften IB/PVV 2016 en 2017 in verband met de verzorging van Y geclaimde reiskosten van € 10.354 (54.496 afgelegde kilometers van € 0,19 per kilometer) terecht heeft geweigerd.


Dat is volgens Rechtbank Zeeland-West-Brabant het geval. Zij oordeelt dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een gezagsverhouding en dat hij van een privaatrechtelijke dienstbetrekking is uitgegaan. X heeft de inkomsten terecht in de aangiften verantwoord als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking.


De Rechtbank acht aannemelijk dat Y en X bedoeld hebben overeen te komen dat X in 2016 en 2017 een onbelaste reiskostenvergoeding zou genieten. Gelet op de kwalificatie als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking bestaat echter binnen de IB/PVV niet de mogelijkheid om de aanslagen IB/PVV 2016 en 2017 met de reiskostenvergoeding te verminderen nu loonbelasting is ingehouden over het als reiskostenvergoeding geoormerkte gedeelte van het loon. Bij de inhouding van loonbelasting is derhalve klaarblijkelijk geen gebruikgemaakt van de in artikel 31, lid 1, onderdeel f, Wet LB 1964 opgenomen mogelijkheid dat de inhoudingsplichtige deze vergoeding als eindheffingsbestanddeel aanwijst. Het verzuim om in de loonbelasting gebruik te maken van deze aanwijzingsbevoegdheid kan niet binnen de IB/PVV worden hersteld. Dit zou anders zijn indien de inkomsten aangemerkt zouden zijn als resultaat uit overige werkzaamheden, merkt de Rechtbank op.


Dat de aangiften over de jaren 2007 tot en met 2011, waarin de zorginkomsten zijn verantwoord als row, zijn gevolgd en dat ook de geclaimde reiskostenaftrek is gehonoreerd, leidt niet tot gewekt vertrouwen.

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Belastingtijdvak
2016-2017
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum instantie
29 oktober 2021
Rolnummer
20/4977;20/4978
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2021:5536
NLF-nummer
NLF 2021/2182
Aflevering
18 november 2021

X