Direct naar content gaan

Samenvatting

Een man hield 48% van de aandelen in een BV en zijn dochter 26%. In 2008 worden de activiteiten van de BV gestaakt en wordt de man als directeur van de BV ontslagen.
De vraag is dan of hij in aanmerking komt voor een WW-uitkering. Het UWV vindt van niet omdat de man als dga moet worden aangemerkt, aangezien hij samen met zijn dochter meer dan tweederde van de aandelen in de BV hield.
In geschil is hoe artikel 2(1)9d) van de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder moet worden uitgelegd.
Rechtbank Alkmaar en de Centrale Raad van Beroep (CRvB) laten de tekst van de Regeling prevaleren en stellen de man in het gelijk. Het aandelenbezit van de dochter telt niet mee bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een tweederde meerderheid in de BV. De man is daarom verzekerd voor de WW.
Het UWV stelt in cassatie dat de CRvB ten onrechte heeft geoordeeld dat in casu grammaticale uitleg voorgaat op teleologische uitleg van art. 2(1)(d) van de Regeling.
De Hoge Raad bevestigt echter het oordeel van de CRvB. Het aandelenbezit van bloed- en aanverwanten telt voor de WW niet mee bij de beoordeling van de vraag of er al dan niet sprake is van een tweederde meerderheid in een BV.
Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard.
Anders A-G Wattel.

Metadata

Rubriek(en)
Sociale verzekeringen
Loonbelasting
Belastingtijdvak
2008-2009
Instantie
HR
Datum instantie
22 maart 2013
Rolnummer
12/02909
ECLI
ECLI:NL:HR:2013:BY9295; ECLI:NL:PHR:2013:BY9295
bwbr0002471&artikel=2&lid=1

Naar de bovenkant van de pagina