Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

Dinsdag 18 juni vierde de NOB in het Beatrix-theater in Utrecht haar 65e verjaardag. In de ochtend was het tijd voor de jaarlijkse algemene ledenvergadering (ALV); ’s middags vond het drukbezochte lustrumcongres plaats. Paul de Haan was een van de sprekers. De integrale tekst van zijn lezing is opgenomen in deze opinie.

Als verlate babyboomer, werd ik fiscalist in een tijd waarin ambitie en emancipatie hand in hand gingen. Als 3-jarige ging ik met mijn ouders en broers van Groningen naar Rotterdam- Zuid, een stukje Rotterdam waarvan de bewoners meestal met ‘boeren’ werden aangeduid en dat was niet als compliment bedoeld. In 1980 maakte ik in collegezaal B 5 van de Erasmus Universiteit kennis met het keuzevak Inleiding belastingrecht gegeven door Jan Christiaanse en Henk van Arendonk. Ik was gegrepen.

In 1982 begon ik bij belastingadvieskantoor Loyens en Volkmaars in Rotterdam bij het team van mijn eerste en dus bepalende leermeester Maarten Ellis.

Het Loyens-kantoor stond tegenover het standbeeld van Erasmus bij de Laurenskerk, waar ik een jaar tevoren getrouwd was en waar Hans Sleutelaar over dichtte:

‘De Laurens wijst de onbewogen tijd.Een hond blaft tegen de kolossen.Hier is geen plek voor nietigheid.’1

Mijn eerste trip voor Loyens was naar de Wibautstraat om bij de rulinginspecteur een royalty ruling te halen met een negatieve vaste-inrichtingsverklaring. Ik had geen flauw idee wat een negatieve vaste-inrichtingsverklaring was.2

Later kwam ik – via het wetenschappelijke bureau van de Hoge Raad – bij PwC terecht. Bij PwC ben ik in 2008 als tax partner teruggetreden, waarna ik nog een aantal jaren als of counsel aanbleef. Momenteel werk ik voor de stichting Capabuild. Deze stichting stelt zich ten doel om – met hulp van het IBFD, en steun van Buitenlandse Zaken en donoren uit het bedrijfsleven – belastingdiensten in ontwikkelingslanden te ondersteunen en gezamenlijk lokale belastingacademies uit te bouwen.3

Het motto voor een terugblik kan alleen maar dat van de Prediker zijn: wat er was zal er altijd weer zijn en wat er is gedaan zal altijd weer gedaan worden; er is niets nieuws onder de zon. Tegelijkertijd kun je als contrapunt de woorden van Rens Pieterse nemen over het oude Hoge Raad-gebouw aan het Plein in Den Haag:

‘Het was een andere tijd, die van krakende vloeren en duiven die vrijelijk bezit namen van het trappenhuis.’4

Ik heb in datzelfde gebouw nog bij het wetenschappelijk bureau gezeten weggestopt onder een gangtrap tussen de bloempotten en een lekkende kraan.

Als iets de afgelopen decennia kenmerkt dan is dat een romantitel: de wereld als markt en strijd.5 En – voeg ik daaraan toe – regulering. Paradoxaal genoeg heeft men een fijnmazig netwerk aan regels nodig om mondiale vrijhandel in juiste banen te leiden. Helder is dat Amerika het naoorlogse vrijhandelsgebeuren domineert. Kapitalisme en zeker de Amerikaanse variant betekent competitie en dus strijd. Maar ook belastingrechtvaardigheid betekent strijd. Een strijd tussen meningen en ideologieën en het beslechten van diezelfde strijd in – hopelijk – afspraken. Nationaal komt het belastingstelsel steeds meer ten dienste van de verzorgingsstaat te staan of zoals Hofstra het liever noemde: de zorgzame overheid.6

In de jaren van de wederopbouw – de jaren 50 en begin 60 – komt het strijdelement nog deftig aan de oppervlakte. Elegante debatten vinden plaats over beginselen en wetmatigheden die het belastingrecht zouden beheersen of niet. Voor het overige is het in de jaren 60 alle hens aan dek voor fiscalisten want alle grote belastingwetten komen tot stand. Na langdurige beraadslaging in het parlement. Dus niet zoals de latere herziening van de Inkomstenbelasting in 2001 die in acht maanden door de Kamers werd gejast.

In de jaren 60 en 70 is de positie van de fiscalist nog niet vanzelfsprekend. In 1968 nog moest Hofstra hemel en aarde bewegen om fiscalisten mee te laten doen aan pleitwedstrijden voor juristen.7 Een betrekkelijk nieuw vakgebied moest zich waarmaken. Een strijd om erkenning.

Het jaar 1975 is nationaal bezien misschien wel een kanteljaar. Nederland verliest zijn fiscale onschuld. Hofstra treedt terug als Leids hoogleraar Belastingrecht en Bill Gates en Paul Allen zetten in het verre Amerika hun bedrijfje Microsoft op.

In dat jaar 1975 zet topambtenaar van Bijsterveld zich aan zijn opdracht om fraude en misbruik in de verzorgingsstaat in kaart te brengen, het ISMO- project. De ISMO- rapportage – vijf jaar later – schokt het hele land: de verzorgingsstaat bleek gebukt te gaan onder misbruik en zwartgeldcircuits. Adviseur Nico Nobel meldt over dit jaar 1975:

‘(...) en toen sloeg de koopsompolissen-golf door de fiscale dijk’.8

Verzekeraars en banken verkochten massaal fiscaalvriendelijke verzekeringspolissen. Rente op leningen was altijd aftrekbaar. Naast reparatiewetgeving, komt de rechter vooral sinds 1982 de wetgever te hulp door fraus legis toe te passen in de meest grove zaken. De strijd tegen misbruik blijft nationaal en internationaal een van de leidende thema’s in ons vak met de Credit Suisse-casus als meest recente illustratie. Oud-raadsheer Bavinck bevestigt in een interview uit 2017 dat de Hoge Raad op dit punt strenger is geworden.9

De strijd om marktaandeel en aandeelhouderswaarde wordt minder elegant. Midden jaren 80 vindt er in Amerika een vuile oorlog plaats om de aandelen in beursfonds RJR Nabisco – bekend van sigaretten en het Oreo-koekje. Het markeert een nieuwe tijd. De strijd is prachtig weergegeven in het roemruchte boek Barbarians at the gate, barbaren aan de poort.10 Zelfs de HEMA en Hunkemöller moeten eraan geloven. Het is een wereld van liberalisering, fusies, overnames, private equity en multinationals die dankzij nieuwe systemen als Oracle en SAP wereldwijd in real time zaken kunnen doen.

In de loop van de jaren 90 komt het internet dit proces aanmerkelijk versnellen. Rondom diezelfde tijd – zeg eind jaren 90 – slaat de angst om het hart van menig Inspecteur: het internet creëert nieuwe bedrijfsmodellen, waarbij een lokale fysieke aanwezigheid minimaal kan zijn. Dat dreigt een gezonde belastingopbrengst illusoir te maken. Landen reageren binnen OESO-verband snel maar – naar achteraf blijkt – niet adequaat genoeg. De eerste internetbubbel explodeert begin 2000; Nina Brink ontsnapt de dans, maar andere beleggers in World Online niet.

Microsoft staat inmiddels in de top 10 van grootste bedrijven ter wereld.

De fiscalist excelleert in deskundigheid en klantbetrokkenheid. De belastingkundige lijkt gemaakt voor die niet-brave, nieuwe wereld vol competitie, internationalisering en vernieuwing. De fiscale adviespraktijk bloeit als nimmer tevoren. De Big Eight accountants-/advies kantoren fuseren uiteindelijk tot de Big Four indachtig het adagium: liever fuseren dan concurreren. De belangrijkste drijfveer voor die concentratie was het enorme succes van Arthur Andersen. Hoe ironisch dat een paar jaar later Andersen failliet ging, meegesleurd in het Enron-schandaal. Overheden grijpen in en tussen accountants en adviseurs wemelt het al snel van wetgeving, codes, protocollen, en gedragsregels.

Fiscalisten wordt wel eens verweten zich te wentelen in een aangenaam isolement. En daar heeft men een punt. Toch zijn er weinig beroepsgroepen denk ik die van zo groot belang zijn geweest voor de economische groei van de afgelopen decennia. De expansie van het Amerikaanse bedrijfsleven was niet mogelijk geweest zonder fiscale adviseurs. De expansie van het Nederlandse bedrijfsleven was niet denkbaar geweest zonder fiscale begeleiding.

Specialisaties binnen het fiscale groeiden als kool: fusie en overnames, tax accounting, transfer pricing, business transformations, expat services, en supply chain management. Alle fiscale specialisaties komen samen in grote reorganisaties en overnames van bedrijven, nationaal en internationaal.

Maar voor die indrukwekkende prestaties betalen we een prijs. Advisering werd mede onder druk van moordende concurrentie meer en meer het resultaat van een kil proces met technocratische oplossingen. Advisering vervreemdt van zijn politiek-maatschappelijke context en vragen over rechtvaardigheid en ethiek lijken geen rol meer te spelen.

Pogingen het belastingstelsel eenvoudiger te maken, leiden tot steeds ingewikkelder regels. Een opvallende ontwikkeling vind ik in 2005 de invoering van het horizontaal toezicht. Een innovatie waarbij de Nederlandse fiscus verrassend genoeg uitgaat van samenwerking en vertrouwen in plaats van repressie en controle. Natuurlijk maakt men van de nood – te weinig capaciteit – een deugd, maar het concept deugt.

De economische crisis van 2008 is van een geheel andere orde dan voorgaande recessies. Het mondiale systeem kraakt en kreunt en het marktdenken is in een klap zijn geloofwaardigheid kwijt.

Internationaal is 2013 een kanteljaar. De G20 vragen de OESO om de grootschalige belastingontwijking aan te pakken. De agressieve tax planning betreft voor circa driekwart Amerikaanse praktijken en de volstrekt chaotische Amerikaanse fiscale wetgeving, maar de OESO gaat er vol in met een veilig vierletterwoord: BEPS. Amerika gaat zijn eigen weg en komt met een US tax reform in 2018, die effectiever lijkt dan het BEPS-verhaal. Maar met samenwerking heeft het niets te maken. De OESO komt op de belangrijkste punten niet tot een consensus, en tax planning door bedrijven komt pontificaal op alle politieke agenda’s. Het bedrijfsleven is verbijsterd en heeft geen plan B. De EU en de nationale wetgevers doen graag mee met de OESO en de Commissie Wetsvoorstellen van de NOB heeft het nog nooit zo druk gehad, denk ik. Het laatste decennium staat aldus in het teken van misbruik en bestrijding ervan, maar ook in het teken van belastinghervorming.

Als ik van een afstandje de ontwikkelingen van de laatste jaren zie, lijkt het alsof het hoog tijd is voor een nieuw fundamenteel debat over rechtvaardigheid, rechtsbeginselen en de rol van belastingadviseurs. Zo’n debat moet inhoudelijk sterk en zorgvuldig worden gevoerd en hier ligt een schone taak voor het NOB.

In het fiscale Jeruzalem van nu kunnen wij ons bedienen van theologen met profetische gaven of kort gezegd: gidsen. Over belastingrechtvaardigheid kunnen we bijvoorbeeld terecht bij Hans Gribnau; zie zijn Giele-lezing uit 2007.11 Voor een bezinning op het internationale fiscale discours leze men Maarten de Wilde’s proefschrift Sharing the pie.12 Leest als een roman. Voor een vlammend betoog over een fiscale herbezinning leze men het vorig jaar verschenen Vertrouwen in de toekomst, vertrouwen in elkaar van Leo Stevens.13

En – o ja – Microsoft tikte dit jaar heel eventjes de $1000 miljard grens aan.

Voor de NOB, die ik van harte feliciteer met dit jubileum, heb ik tot slot de volgende drie suggesties:

  1. Communiceer duidelijk wat fiscalisten hebben gedaan en wat ze doen. Benader de media, zoek je tegenstanders op en praat met ze. Voor een analyse verwijs ik naar Sjoerd Douma’s oratie aan de UvA van vorig jaar over miscommunicatie in het publieke debat.14
  2. Regel effectieve fiscale rechtshulp voor de achterblijvers in deze complexe wereld. Vorm bijvoorbeeld een coalitie met instanties in de schuldhulpverlening. Internationaal: ondersteun initiatieven om de positie van ontwikkelingslanden te versterken. Praat eens met Oxfam Novib of SOMO over hoe zij fiscale ethiek zien.
  3. Wees politiek en innovatief. Er is meer dan het vestigingsklimaat om je druk over te maken. Het idee bijvoorbeeld om een onafhankelijke instantie toezicht te laten houden op specifiek de belastingregels en uitvoering is in Nederland al door meer mensen geopperd, onder andere door Fred van Horzen, Frits Sobels en meer recent Leo Stevens.15

De NOB heeft meer dan voldoende deskundigheid en vitaliteit om op al deze thema’s een medebepalende rol te spelen. Ik dank u!

Rubriek(en)
Overig
Auteur(s)
Paul de Haan
De Haan advies
NLF-nummer
NLF Opinie 2019/32
Judoreg
NFB2567
Publicatiedatum
4 juli 2019

X