Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

Merijn van Leeuwen constateert dat de Inspecteur onder dreiging van boetes, informatiebeschikkingen, dwangsommen en/of het strafrecht belastingplichtigen dwingt om openheid van zaken te geven over hun belastingpositie, maar daar zelf desgevraagd van afziet. Daar moet verandering in komen.

Procedures rond buitenlands vermogen hebben de gemoederen de afgelopen jaren flink beziggehouden. Neem bijvoorbeeld de Tipgevers-zaak waarbij nota bene staatssecretaris Jan-Kees de Jager als getuige moest worden gehoord. Om bij de fiscus alles in goede banen te leiden is een projectplan ‘Aandachtspunten projecten Verhuld Vermogen’ opgesteld (hierna: projectplan).1 De laatste versie verscheen met dagtekening 14 februari 2020. In procedures over buitenlands vermogen dient het projectplan als op de zaak betrekking hebbend stuk in de zin van artikel 8:42 Awb, dat door de Inspecteur aan het procesdossier moet worden toegevoegd. Vanaf het allereerste begin heeft de Inspecteur in het projectplan diverse passages met een beroep op geheimhouding zwart gemaakt, oftewel geschoond. De afgelopen jaren heb ik namens diverse belanghebbenden hiertegen geageerd. Zij kregen steeds nul op het rekest, de passages mochten geschoond blijven.

Beroep op geheimhouding

Een beroep op geheimhouding vormt een inbreuk op het ‘equality of arms’-beginsel. Dat beginsel houdt in dat beide procespartijen als gelijken voor de rechter hebben te gelden en zij bijgevolg beiden kennis moeten kunnen nemen van dezelfde processtukken. Het raakt direct het recht op een eerlijk proces. Met een beroep op geheimhouding dient dan ook zeer terughoudend te worden omgegaan én het kan alleen slagen indien daarvoor ‘gewichtige redenen’ bestaan.2 De Raad van State3 heeft onlangs de regels omtrent geheimhouding nog eens nader gepreciseerd. Het verzoek moet voldoen aan hoge eisen. De verzoeker zal onder andere duidelijk moeten maken waarom het geheimhouden van stukken zwaarder weegt dan kennisneming van alle op de zaak betrekking hebbende stukken door de andere partij. Voorts lees ik in de uitspraak dat alleen de belangen in de op dat moment geldende zaak een rol mogen spelen in de besluitvorming omtrent de geheimhouding. Kortom een zware bewijslast voor de Inspecteur. Naar ik meen terecht. Een burger hoort namelijk te allen tijde de overheid te kunnen controleren. Hoe een en ander uit de pas kan gaan lopen, hebben wij allemaal kunnen waarnemen in Toeslagenaffaire.

Inspecteur houdt jurisprudentie van de Hoge Raad geheim

Onlangs heeft Hof Arnhem-Leeuwarden4 in een zaak van een van mijn cliënten deze kwestie nog eens kritisch onder de loep genomen. De Inspecteur stelde zich – in woorden van gelijke strekking – op het standpunt dat stukken geheim moesten blijven omdat:

  1. men geen inzage wilde geven in controle strategische overwegingen van de Belastingdienst; en
  2. men wilde voorkomen dat belastingplichtigen zouden gaan anticiperen op controlemechanismen van de Belastingdienst.

Het Hof komt uiteindelijk tot de conclusie dat diverse zwart gemaakte passages – die tot deze procedure altijd geschoond mochten blijven van de rechter – alsnog in ongeschoolde vorm aan het procesdossier moeten worden toegevoegd. Na kennisname van de vrijgegeven passages viel ik enigszins van mijn stoel. Naar nu blijkt, heeft het beroep op geheimhouding van de Inspecteur al die jaren deels gezien op een uiteenzetting van jurisprudentie van de Hoge Raad. Ik heb mij suf gepiekerd over de vraag waarom deze passages al die jaren geschoond mochten blijven. Het antwoord heb ik niet kunnen vinden. Jurisprudentie van de Hoge Raad vormt een openbare bron, alle uitspraken worden bij mijn weten gepubliceerd op internet. Schoning van de passages komt er in feite op neer dat de Inspecteur al die jaren feiten van algemene bekendheid geheim heeft mogen houden.

Bang om (n)iets weg te geven

Ik vind het bijzonder zorgelijk dat de door de Inspecteur gebezigde argumenten (controle strategie en anticipatie) niet overeenkomen met de werkelijkheid (jurisprudentie Hoge Raad). Over het motief van de Inspecteur voor het geheimhouden van feiten van algemene bekendheid kan ik alleen maar speculeren. Steekhoudende argumenten heb ik nog niet kunnen bedenken. Kennelijk is de Belastingdienst erg bang om (n)iets weg te geven.

Wat niet weet, wat niet deert?

Het is niet zo dat dit een enkele zaak betreft. In tal van procedures hebben diverse belanghebbenden getracht de volledige beschikking te krijgen over het projectplan. Om het beroep op geheimhouding te kunnen toetsen mogen Rechtbanken en Hoven wel kennisnemen van de geheim te houden passages. Minstens zo zorgelijk in mijn ogen is dat diverse rechters de schoning van de rechtspraak tot op heden hebben gebillijkt. Dit klemt omdat zeer terughoudend met geheimhouding moet worden omgegaan én aan de verzoeken van de Inspecteur juist hoge eisen moeten worden gesteld. Daar komt bij dat de buitenwereld de rechter niet kan controleren in het geval de stukken geheim mogen blijven. De uitspraak van het Hof roept de vraag op of rechters in het verleden wel kritisch genoeg de argumenten van de Inspecteur hebben bekeken? Ik heb daar op voorhand mijn twijfels bij.

Conclusies en oproep

Nu een beroep op geheimhouding bij de Inspecteur begint, roep ik allereerst de Inspecteur op om alleen in echte uitzonderingsgevallen een beroep op geheimhouding te doen. Tevens roep ik op om een dergelijk verzoek beter te motiveren. Dat de thans gebezigde argumentatie niet aan de hoge eisen van de Raad van State voldoet, is naar mijn mening evident. Het is namelijk naïef te denken dat de buitenwereld niet weet hoe de Belastingdienst aan haar informatie komt. Niet alleen worden grote vangsten door de Belastingdienst breed uitgemeten in de pers,5 ook wordt op een steeds intensievere wijze informatie uitgewisseld tussen lidstaten. Tevens staan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen de nodige opsporingsmethodes. Kortom, de controlestrategie van de Belastingdienst is al grotendeels bekend.

Mocht de Inspecteur zijn beroep op geheimhouding coûte que coûte willen handhaven dan roep ik vervolgens de rechter op om veel kritischer te zijn ten aanzien van dergelijke verzoeken. Het wordt tijd dat het geheimhouden van processtukken in plaats van regel weer tot de uitzondering gaat behoren. Dat de Belastingdienst momenteel in zwaar weer verkeert, hoeft geen betoog.6 Een terugkerend thema in dat verband is dat de Belastingdienst niet transparant opereert. Het is wrang te constateren dat de Inspecteur onder dreiging van boetes, informatiebeschikkingen, dwangsommen en/of het strafrecht belastingplichtigen dwingt om openheid van zaken te geven over hun belastingpositie, maar daar zelf desgevraagd van afziet. Dat vergroot het vertrouwen in de Belastingdienst niet, terwijl dat momenteel wel een belangrijke opgave is. Keer op keer lijkt de Belastingdienst niet in staat om het vertrouwen van de burger terug te winnen. Een meer kritische rechter bij verzoeken om geheimhouding door de Inspecteur, kan daarbij beslist helpen.

Rubriek(en)
Formeel belastingrecht
Wetsartikelen
Auteur(s)
Merijn van Leeuwen
FT-advocaten
NLF-nummer
NLF Opinie 2020/40
Judoreg
NFB3897
Publicatiedatum
18 december 2020

X