Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie(38)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent(1)

X (belanghebbende) heeft bij brief van 9 april 2019 de Heffingsambtenaar verzocht hem voor zijn woning voor het jaar 2019 een WOZ-beschikking te verstrekken en in het slot van de brief verwezen naar artikel 28, lid 1, Wet WOZ (hierna: de medebelanghebbendebeschikking). Op dat moment was aan X nog geen reguliere beschikking ingevolge artikel 24, lid 3, Wet WOZ gegeven. De Heffingsambtenaar heeft met dagtekening 31 maart 2020 de reguliere beschikking aan X toegezonden.

In geschil is of de Heffingsambtenaar het verzoek om verstrekking van een medebelanghebbendebeschikking terecht heeft geweigerd.

De Heffingsambtenaar is niet verplicht op aanvraag een medebelanghebbendebeschikking te geven als de aanvrager geen belang heeft bij die beschikking, oordeelt Hof Den Haag. In casu is X een belanghebbende als bedoeld in artikel 24, lid 3, aanhef en onderdeel a, Wet WOZ en heeft hij recht op een reguliere beschikking die aan hem op 31 maart 2020 is gegeven. Hij heeft daarom geen belang bij een medebelanghebbendebeschikking. Dat wordt niet anders door het feit dat X veel langer heeft moeten wachten dan de in artikel 24, lid 1, Wet WOZ opgenomen termijn van acht weken voor het geven van een reguliere beschikking.

Anders dan Rechtbank Den Haag is het Hof daarom van oordeel dat de Heffingsambtenaar aan X desgevraagd geen medebelanghebbendenbeschikking behoefde te geven.

Het hoger beroep van de Heffingsambtenaar is gegrond.

Rubriek(en)
Lokale heffingen
Belastingtijdvak
2019
Instantie
Hof Den Haag
Datum instantie
10 mei 2022
Rolnummer
21/00567
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2022:903
NLF-nummer
NLF 2022/1128
Aflevering
9 juni 2022
bwbr0007119&artikel=28,bwbr0007119&artikel=28

X