Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

Het wetsvoorstel ‘Aanpassing fiscale regeling aandelenoptierechten’ (35 929) werd op 21 september 2021 bij de Tweede Kamer ingediend. Voorgesteld wordt om deze regeling voor aandelenoptierechten te wijzigen waardoor het aantrekkelijker wordt om aandelenoptierechten als loon te verstrekken. Volgens Ron Noordenbos en Sebastian Spauwen behoeft het wetsvoorstel zoals dat er nu ligt op een aantal punten nog verduidelijking.

Op Prinsjesdag 2021 is het definitieve wetsvoorstel ter zake van de aanpassing van het genietingstijdstip van aandelenopties ingediend.1 Een wetsvoorstel dat zijn oorsprong vindt in de wens van start-ups en scale-ups (hierna: start-ups) om aandelenopties anders te belasten dan onder de huidige regeling gebeurt om op die manier Nederland ook aantrekkelijk te houden voor dergelijke start-ups.

Ondernemingen die werknemers voor langere tijd aan zich willen binden en hen willen laten meedelen in het zakelijke succes van de onderneming, geven vaak aandelenopties (hierna: opties) uit aan werknemers. Deze beloningsvorm is onder andere bij start-ups populair aangezien zij in het begin vaak weinig liquide middelen beschikbaar hebben. Het wetsvoorstel regelt dat de belastingheffing over optie-inkomsten, voor aandelen die niet direct verhandelbaar zijn, wordt uitgesteld naar het moment waarop de aandelen kunnen worden verhandeld door de werknemer. Dit komt in plaats van de huidige regeling, waarbij het optievoordeel op het moment van uitoefening van de opties belast is. De niet-verhandelbaarheid van de aandelen, kan diverse oorzaken hebben. Doel is de situatie te bestrijken waarbij er nog geen markt is voor de aandelen. Echter, indien de werknemer de aandelen nog niet mag verkopen op grond van door de inhoudingsplichtige opgelegde verkooprestricties, wordt de heffing in het wetsvoorstel eveneens uitgesteld. Het probleem bij de huidige regeling is dat op het moment van de uitoefening van de opties bij niet-verhandelbare aandelen, de werknemer wel de uitoefenprijs dient te betalen en ook de loonbelasting, zonder dat de werknemer over geld kan beschikken door de aandelen te verkopen. Overigens is in de voorgestelde regeling wel een keuzeregeling ingevoerd die inhoudt dat werknemers ervoor kunnen kiezen om te worden belast op het moment dat de werknemer de opties uitoefent.

Meerwaarde voorgestelde regeling

De vraag die bij ons allereerst opkomt, is of de voorgestelde regeling wel nodig is. Het is namelijk onder de huidige regeling prima mogelijk om de periode waarin de werknemer de opties mag uitoefenen dusdanig vorm te geven dat de werknemer de opties kan uitoefenen op het moment dat de verkregen aandelen ook daadwerkelijk kunnen worden verkocht. Dan wordt exact hetzelfde bereikt als onder de voorgestelde regeling, namelijk dat de werknemer belasting betaalt op het moment dat de werknemer de verkregen aandelen kan verkopen. Het uitstellen van de uitoefening, wat onder de huidige regeling mogelijk is, is op zich zelfs beter voor de liquiditeitspositie van de werknemer, omdat de werknemer het betalen van belasting én uitoefenprijs dan uitstelt. Wij zien dan ook niet de meerwaarde van het wetsvoorstel.

Samenloop dividendbelasting en loonbelasting

Indien wordt geheven op het moment waarop de werknemer de aandelen kan verhandelen, zijn de dividenden die worden uitgekeerd op de aandelen tot het moment waarop de aandelen kunnen worden verhandeld, als loon belast bij de werknemer.2 Dit leidt tot een cumulatie van dividendbelasting en loonbelasting. Voor inwoners van Nederland is dit met name een cashflownadeel. Zij kunnen de dividendbelasting verrekenen via de aangifte inkomstenbelasting.3 Als het gaat om buitenlandse dividendbelasting, is de verrekening gemaximeerd op de heffing in box 3.4 Niet verrekende dividendbelasting kan worden doorgeschoven.5 Buitenlandse belastingplichtigen hebben dit recht om te verrekenen alleen als de geheven dividendbelasting betrekking heeft op bestanddelen van het verzamelinkomen.6 Bij werknemers met de 30%-regeling die als partieel buitenlands belastingplichtige ex artikel 2.6 Wet IB 2001 worden aangemerkt, dient per situatie te worden beoordeeld of de dividendbelasting kan worden verrekend met de Nederlandse inkomstenbelasting.

Geen samenloop belastingheffing in box 1 en box 2

Een samenloop van belastingheffing in box 1 en box 2 wordt voorkomen door de werking van rangorderegeling van artikel 2.14 Wet IB 2001. De staatssecretaris van Financiën stipt dit onderwerp aan in de MvT. Hij stelt:

‘Hierdoor wordt het betreffende aandelenvermogen op een later moment tot het box 3-vermogen gerekend (...).’

En in een voetnoot daarbij stelt hij:

‘Of in een beperkt aantal gevallen tot een aanmerkelijk belang of lucratief belang gaan behoren.’7

Dit leidt er toe dat bij de werknemer die met de optie een aanmerkelijkbelangpakket kan kopen, de aandelen vanaf het moment dat loonbelasting is geheven, aangemerkt worden als aanmerkelijk belang. Ingevolge artikel 4.23 Wet IB 2001 wordt de verkrijgingsprijs van die aandelen voor de box 2-heffing dan gesteld op de waarde in het economische verkeer op dat moment. Hierdoor kan geen dubbele heffing ontstaan. Het zou goed zijn als de staatssecretaris van Financiën dit bevestigt.

Grensoverschrijdende aspecten van het wetsvoorstel

Volgens aantekening 12 van het OESO-commentaar op artikel 15 OESO-Modelverdrag en volgens het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 11 februari 2002,8 wordt het recht om belasting te heffen over het voordeel uit een werknemersoptie verdeeld aan de hand van de periode tussen de datum van toekenning en de datum van vesting van de optie. In de mate waarin Nederland in die periode recht heeft (gehad) om belasting te heffen over het loon van de werknemer, mag Nederland ook heffen over het voordeel uit de optie. Het moment van heffing is daarbij in beginsel niet van belang. Bij een uitgestelde heffing moet de werkgever de werknemer wel langer volgen, wat een additionele administratieve last met zich brengt.

De vraag komt op of het heffingsrecht over een koersstijging, die is ontstaan na de uitoefening van de optie, niet ter heffing is toegewezen aan het woonland van de werknemer. Neem aan dat de waarde van het pakket aandelen dat de werknemer mag kopen zich als volgt ontwikkelt:

  Waarde aandelenpakket
Toekenning/uitoefeningsprijs € 10.000
Uitoefening na drie jaar € 110.000
Beursgang na zes jaar € 400.000
Verkoop na zeven jaar € 450.000

 

Stel dat de werknemer vlak na de uitoefening van de optie verhuist naar een verdragsland, waar hij ook gaat werken. Nederland heeft dan het volledige heffingsrecht over het voordeel uit de optie, want in de periode tussen de datum van toekenning en de datum van vesting van het optierecht is het loon van de werknemer belast in Nederland. Daarna echter heeft Nederland geen heffingsrecht meer. Normaliter valt het heffingsrecht over de winst bij de verkoop van een aandeel toe aan het woonland van de aandeelhouder (artikel 13 OESO-Modelverdrag). Aantekening 12.2, 12.3 en 12.4 van het OESO-commentaar op artikel 15 OESO-Modelverdrag wijzen ook in die richting. In het voorbeeld heft Nederland op de datum waarop het aandeel verhandelbaar wordt, maar slechts over € 100.000, dat is de winst bij uitoefening van de optie.

Dezelfde vraag speelt bij de heffing over een dividend dat de werknemer ontvangt op het aandeel, na de uitoefening van de optie, maar vóór de datum waarop het aandeel verhandelbaar wordt. Normaliter valt het heffingsrecht over een dividend toe aan het woonland van de aandeelhouder (artikel 10 OESO-Modelverdrag), en mag het land waar de vennootschap die het dividend uitkeert is gevestigd een bronbelasting heffing op het dividend. In het voorbeeld heft Nederland slechts dividendbelasting over het dividend, indien de uitkerende vennootschap in Nederland is gevestigd. Is de uitkerende vennootschap niet in Nederland gevestigd, dan kan Nederland niet heffen over het dividend.

Afsluiting

Het wetsvoorstel zoals dat er nu ligt, behoeft op een aantal punten nog verduidelijking, bijvoorbeeld ten aanzien van de internationale aspecten. Daarnaast lijkt het wetsvoorstel op zich geen meerwaarde te hebben ten opzichte van de huidige regeling, ook niet voor start-ups. Het creëren van twee genietingstijdstippen en een keuzeregeling bemoeilijken dan ook de toepassing van de fiscale regelgeving onnodig.9

X