Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis(3)
  • Internationale regelgeving(1)
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(28)
  • Jurisprudentie(386)
  • Commentaar NLFiscaal(37)
  • Literatuur(139)
  • Recent(31)
  • Annotatie wetsgeschiedenis NLFiscaal(2)

X (bv; belanghebbende) behoort tot een internationaal opererend concern. Haar functionele valuta is de euro. X houdt alle aandelen in A, een in Zwitserland gevestigde vennootschap. De enige aandeelhouder van X is B, gevestigd in de Verenigde Staten.

Op 1 juli 2011 heeft A besloten tot uitkering van een dividend van (afgerond) CHF 104 miljoen aan X, bestaande uit een vordering in Amerikaanse dollars van A op een te Bermuda gevestigde groepsvennootschap. Op 4 augustus 2011 is de vordering gecedeerd, eerst door A aan X, vervolgens door X aan B. Tussen 1 juli en 4 augustus 2011 heeft zich in euro’s een positief valutaresultaat van circa € 10 miljoen voorgedaan op de dividendvordering. De Inspecteur heeft dat resultaat als belastbare winst aangemerkt.

Rechtbank Noord-Holland en Hof Amsterdam achten dat terecht.

Het recht op dividend is op 1 juli 2011 tot het vermogen van X gaan behoren, met dien verstande dat na dat tijdstip eventuele waardeveranderingen van het recht niet meer als een voordeel uit hoofde van de deelneming in A kunnen worden aangemerkt. De verplichting tot dooruitdeling kon voorts pas op 4 augustus 2011 worden gepassiveerd, toen een dividendschuld ontstond door de eigen dividenddeclaratie van X.

X betoogt in cassatie primair dat het Hof ten onrechte het moment van betaalbaarstelling niet heeft vastgesteld, hetgeen een onjuiste rechtsopvatting verraadt.

A-G Wattel meent dat voor het bestaan van een vordering de opeisbaarheid (betaalbaarstelling) niet relevant is. Het oordeel van het Hof dat de dividendvordering aanstonds op 1 juli 2011 moest worden geactiveerd is rechtens juist en voor zover feitelijk voldoende gemotiveerd. Ook de subsidiaire stelling dat X op 1 juli 2011 een even grote dooruitdelingsschuld kon passiveren, treft volgens de A-G geen doel.

Het cassatieberoep is ongegrond, concludeert de A-G.

Rubriek(en)
Vennootschapsbelasting
Belastingtijdvak
2011
Instantie
A-G
Datum instantie
21 januari 2022
Rolnummer
21/03076
ECLI
ECLI:NL:PHR:2022:58
Auteur(s)
Michael van Gijlswijk
Meijburg & Co
NLF-nummer
NLF 2022/0533
Aflevering
17 maart 2022
Judoreg
NFB4882
bwbr0002672&artikel=8,bwbr0002672&artikel=8,bwbr0002672&artikel=13,bwbr0002672&artikel=13,bwbr0011353&artikel=3.25,bwbr0011353&artikel=3.25

X