Direct naar content gaan

Samenvatting

X (belanghebbende) heeft in Duitsland een gebruikte personenauto gekocht. De auto was zodanig ernstig beschadigd dat daarmee niet mocht worden deelgenomen aan het verkeer.

Op 21 januari 2015 heeft de RDW vastgesteld dat de auto een schadevoertuig is in de zin van artikel 1, lid 1, onderdeel u, Wegenverkeerswet 1994, waarvoor een verbod geldt voor het rijden op de weg. De RDW heeft de auto daarom bij de inschrijving een zogenoemde wacht-op-keuren-status (hierna: WOK-status) gegeven, hetgeen betekent dat met de auto niet mocht worden deelgenomen aan het verkeer in Nederland. Volgens X heeft de RDW toen geweigerd hem een aangifteformulier voor de BPM te geven.

Nadat de essentiële gebreken waren hersteld, heeft de RDW de auto op 5 februari 2015 opnieuw gekeurd, vastgesteld dat de auto niet meer een schadevoertuig was en de aan de auto gegeven WOK-status opgeheven. Op die dag is aan X een aangiftebiljet uitgereikt om de voor de auto verschuldigde BPM te voldoen. Daarbij heeft X een waardevermindering van 77,71% toegepast, oftewel naar de staat van de auto voordat de essentiële gebreken waren hersteld.

De dienst Domeinen Roerende Zaken heeft de waardevermindering echter gesteld op 35,46%, waarop de Inspecteur aan X een naheffingsaanslag BPM heeft opgelegd.

Hof Den Bosch heeft geoordeeld dat artikel 8, lid 3, Uitv.reg. BPM wegens strijd met artikel 110 VWEU onverbindend moet worden verklaard. Het heeft de naheffingsaanslag vernietigd, omdat X in strijd met artikel 110 VWEU de mogelijkheid is ontnomen om voor de auto op 21 januari 2015 BPM op aangifte te voldoen met inachtneming van de in artikel 10 Wet BPM bedoelde vermindering die was bepaald naar de staat waarin de auto op die dag verkeerde, dus met de daaraan klevende essentiële gebreken.

Tegen dit oordeel heeft de staatssecretaris cassatieberoep ingesteld en de Hoge Raad verklaart dit gegrond. Het oordeel van het Hof over de onverenigbaarheid van artikel 8, lid 3, Uitv.reg. BPM met artikel 110 VWEU geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Dat in dit geval de door de Belastingdienst en de RDW gevolgde werkwijze ertoe heeft geleid dat X op 21 januari 2015 de mogelijkheid is ontnomen om voor de auto op 21 januari 2015 BPM op aangifte te voldoen, vormt geen grond om de naheffingsaanslag te vernietigen omdat deze weigering geen nadelige gevolgen voor X heeft gehad. Immers, zou X, indien hij wel zou zijn uitgenodigd om aangifte BPM te doen, aangifte hebben gedaan en aansluitend de voor de auto verschuldigde BPM op aangifte hebben voldaan, dan was hij op grond van artikel 8, lid 3, Uitv.reg. BPM verplicht geweest om de op grond van artikel 9 Wet BPM verschuldigde BPM te voldoen, zonder toepassing van de in artikel 10 Wet BPM bedoelde vermindering.

Metadata

Rubriek(en)
Autobelastingen
Belastingtijdvak
2015
Instantie
HR
Datum instantie
26 maart 2021
Rolnummer
20/00706
ECLI
ECLI:NL:HR:2021:415
Auteur(s)
Heleen Elbert
Elbert Fiscaal
NLF-nummer
NLF 2021/0742
Aflevering
8 april 2021
Judoreg
NFB4251
bwbr0005806&artikel=10,bwbr0005806&artikel=10,bwbr0005813&artikel=8&lid=3,bwbr0005813&artikel=8&lid=3,bwbv0001506&artikel=110,bwbv0001506&artikel=110

Naar de bovenkant van de pagina