Direct naar content gaan

Samenvatting

Een aanslag moet uiterlijk binnen drie jaar na afloop van het relevante kalenderjaar worden opgelegd.
Dat is in deze zaak ook het geval, alleen stelt de belastingplichtige dat hij die aanslag nooit heeft ontvangen.
De vraag is dan of de aanslag te laat is opgelegd.
De Hoge Raad oordeelt hierover als volgt: In gevallen waarin de aanslag niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt doordat sprake is van een aan de Belastingdienst te wijten onjuiste adressering van het aanslagbiljet, is de aanslagtermijn niet verlopen als een belastingplichtige binnen die termijn op de hoogte was van de verzending van het aanslagbiljet.
Een en ander geldt ook voor de navorderings- en naheffingstermijnen, aldus de Hoge Raad.
De Hoge Raad komt hiermee in zoverre terug van zijn arrest van 6 december 1989, nr. 25909, BNB 1990/177.
In casu heeft het Hof vastgesteld dat het met dagtekening 14 oktober 2011 opgemaakte aanslagbiljet 2008 niet ter post is bezorgd en dat aan de belastingplichtige niet eerder dan op 6 februari 2012 een kopie van dat aanslagbiljet is uitgereikt.
Daarmee staat volgens de Hoge Raad vast dat de aanslag niet is vastgesteld binnen de in artikel 11, lid 3, AWR voorgeschreven termijn, zodat die aanslag moet worden vernietigd.
Daaraan doet niet af dat het aanslagbiljet volgens het geautomatiseerde systeem van de Belastingdienst in de maand september 2011 is opgemaakt, aldus de Hoge Raad.

Metadata

Rubriek(en)
Vennootschapsbelasting
Formeel belastingrecht
Belastingtijdvak
2008
Instantie
HR
Datum instantie
18 april 2014
Rolnummer
13/04796
ECLI
ECLI:NL:HR:2014:930
bwbr0002320&artikel=30fc&lid=1,bwbr0002320&artikel=30fd&lid=1,bwbr0002320&artikel=30fd&lid=3,bwbr0002672&artikel=25b&lid=3

Naar de bovenkant van de pagina