Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie(747)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur(3)
  • Recent(19)

X (belanghebbende) is eigenaar van een etagewoning uit 1978, voorzien van een berging en een parkeerplek. De WOZ-waarde van de woning is voor het belastingjaar 2019, naar de waardepeildatum 1 januari 2018, vastgesteld op € 274.000.

X heeft beroep ingesteld.

Rechtbank Midden-Nederland oordeelt dat de Heffingsambtenaar de vastgestelde waarde van de woning niet aannemelijk heeft gemaakt omdat hij het deel van de koopprijs van de vergelijkingsobjecten dat diende voor de VvE-reserve, ten onrechte heeft betrokken bij de vaststelling van de waarde. De Rechtbank verwerpt in dit verband het standpunt van de Heffingsambtenaar dat alleen onderhoudsreserves van substantiële omvang hoeven te worden gecorrigeerd op de verkoopprijs. Of de omvang van het deel dat de koper betaalt voor de onderhoudsreserve van een VvE nu substantieel of gering is; de koper betaalt dat deel in geen geval voor (het recht op) de onroerende zaak zelf. Het mag dan ook in geen geval worden betrokken bij de berekening van de WOZ-waarde van een woning.

X heeft de door hem voorgestane waarde van € 250.000 volgens de Rechtbank ook niet aannemelijk gemaakt. De Rechtbank stelt de waarde van de woning in goede justitie vast op € 260.000.

Rubriek(en)
Lokale heffingen
Belastingtijdvak
2019
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum instantie
1 februari 2021
Rolnummer
20/442
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2021:518
bwbr0007119&artikel=17

X