Direct naar content gaan

Gerelateerde content

  • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

Samenvatting

X (belanghebbende) is eigenaar en bewoner van een moderne eengezinstussenwoning De gemeente heeft de woning van belanghebbende voor de heffing van de onroerendezaakbelastingen doen taxeren op f. 131.000. De woning van X is in een aantal opzichten vergelijkbaar met 77 in de nabijheid van zijn woning gelegen woningen. Bij de vaststelling van de waarde van een aantal van die woningen heeft de gemeentelijke taxateur een taxatiefout gemaakt ten gevolge waarvan de heffingsgrondslag van die woningen ongeveer 70 procent bedraagt van de waarde in het economische verkeer op de peildatum. De gemeente heeft ten aanzien van enige tientallen van die woningen voormeld waardeverschil toegegeven.
Hof Den Haag heeft geoordeeld dat X op grond van het gelijkheidsbeginsel aanspraak kan maken op dezelfde gunstige behandeling als de overige woningen die te laag zijn getaxeerd. Tegen dit oordeel heeft het College van B&W cassatieberoep ingesteld, maar de Hoge Raad verklaart dit ongegrond. Voor de toepassing van het gelijkheidsbeginsel is het voldoende dat een aantal van de vergelijkbare belastingplichtigen een dergelijke begunstiging in de praktijk van de uitvoering anders dan bij incidentele vergissing ten is deel gevallen en dat van een incidentele vergissing niet kan worden gesproken bij een zo groot aantal vergelijkbare gevallen als hier aan de orde is. De aan dit oordeel ten grondslag liggende opvatting dat ook aanleiding kan bestaan tot toepassing van het gelijkheidsbeginsel in gevallen waarin een juiste wetstoepassing als gevolg van een niet-incidenteel gemaakte fout is achterwege gebleven, is, zoals ook is geoordeeld in het arrest van de Hoge Raad van heden, nummer 27.048, juist, wanneer de fout is gemaakt in de meerderheid van de met het geval van de betrokken belastingplichtige vergelijkbare gevallen. Uit de beperking tot de meerderheid van de gevallen vloeit noodzakelijkerwijs voort dat voor toepassing van het gelijkheidsbeginsel hier dan ook alleen plaats is indien sprake is van onderling te vergelijken woningen, dat wil zeggen woningen die het kenmerk of de kenmerken gemeen hebben ten aanzien waarvan de voor de waardebepaling van belang zijnde fout is gemaakt en zich te dien aanzien onderscheiden van andere woningen. Dienaangaande is evenwel door het Hof niets vastgesteld. De zaak is verwezen.

Metadata

Rubriek(en)
Lokale heffingen
Belastingtijdvak
1985
Instantie
HR
Datum instantie
2 januari 1991
Rolnummer
26.777
ECLI
ECLI:NL:PHR:1991:22

Naar de bovenkant van de pagina