Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis(4)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(2)
  • Jurisprudentie(242)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur(1)
  • Recent(17)

Rechtbank Den Haag heeft het beroep van X (belanghebbende) tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting 2013–2014 niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroepschrift niet tijdig is ingediend.

De Rechtbank heeft het tegen die uitspraak gedane verzet ongegrond verklaard. De ongegrondverklaring steunt in de eerste plaats op de overweging dat de Inspecteur door het overleggen van een afdruk van het postregistratiesysteem aannemelijk heeft gemaakt dat de uitspraak op bezwaar zowel naar X als naar zijn toenmalige gemachtigde is verzonden. De Rechtbank heeft daaraan nog toegevoegd dat X naar aanleiding van een telefonisch onderhoud met de Inspecteur in 2018 in elk geval bekend was met het bestaan van de uitspraak op bezwaar. Omdat X tot 12 juli 2019 heeft gewacht met het instellen van beroep, kan volgens de Rechtbank niet worden gezegd dat hiermee zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk, beroep is ingesteld.

In cassatie herhaalt X onder meer de in verzet aangevoerde klacht dat hij noch zijn toenmalige gemachtigde de uitspraak op bezwaar heeft ontvangen. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de Inspecteur de verzending van de uitspraak op bezwaar naar zowel X als zijn toenmalige gemachtigde aannemelijk heeft gemaakt met het overleggen van een afdruk van het postregistratiesysteem. Uit de uitspraak van de Rechtbank noch de stukken van het geding kan echter worden afgeleid op welk stuk de Rechtbank hiermee doelt. De stukken van het geding geven voorts geen uitsluitsel erover aan welk postvervoerbedrijf de uitspraak op bezwaar is aangeboden. Dat betekent dat in deze zaak niet is komen vast te staan aan welk postvervoerbedrijf dit poststuk is aangeboden. De Inspecteur heeft daarom niet aannemelijk gemaakt en dus ook niet overtuigend aangetoond dat de uitspraak op bezwaar aan een postvervoerbedrijf is aangeboden voor verzending aan X.

De Hoge Raad doet de zaak af. Er bestaat geen grond om het beroep wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk te verklaren. De Hoge Raad verklaart het verzet tegen de uitspraak van de Rechtbank gegrond.

Rubriek(en)
Formeel belastingrecht
Belastingtijdvak
2013-2014
Instantie
Hoge Raad
Datum instantie
17 juni 2022
Rolnummer
20/02700
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:875
bwbr0005537&artikel=3:41,bwbr0005537&artikel=6:10,bwbr0005537&artikel=6:11,bwbr0005537&artikel=8:54

X