Direct naar content gaan

Samenvatting

De Inspecteur heeft aan X (belanghebbende) voor het jaar 1950 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting opgelegd. Volgens X is deze aanslag ten onrechte opgelegd omdat er geen sprake is van een nieuw feit.

De zaak wordt door de Hoge Raad verwezen. De Raad van Beroep (de Raad) heeft weliswaar terecht aangenomen dat de Inspecteur als regel met vertrouwen op de aangifte kan afgaan en er slechts dan een reden tot een aan de aanslag voorafgaand boekenonderzoek bestaat, indien in een bepaald geval er bijzondere omstandigheden zijn, die hem reden moesten geven aan de aangifte te twijfelen en de door de belastingplichtige overgelegde bescheiden aan diens boekhouding te toetsen.

De Raad heeft echter niet uitdrukkelijk beslist dat in het onderhavige geval zodanig bijzondere omstandigheden niet aanwezig waren, terwijl zulks evenmin volgt uit de door de Raad vastgestelde feiten.

Metadata

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Belastingtijdvak
1950
Instantie
Hoge Raad
Datum instantie
27 april 1955
Rolnummer
12.296
ECLI
ECLI:NL:HR:1955:AY2476
bwbr0002320&artikel=16

Naar de bovenkant van de pagina