Direct naar content gaan

Samenvatting

Een BV heeft op 18 januari 2003 aan een bank schriftelijk opdracht gegeven om er voor te zorgen de verschuldigde loonbelasting voor het eind van de maand op de rekening van de Belastingdienst te storten. De bank had dat echter niet gedaan. Dat leidde tot een naheffingsaanslag en een verzuimboete van 1 procent. Volgens de BV was de boete onterecht opgelegd omdat er sprake was van afwezigheid van alle schuld (avas). Het Hof oordeelde echter dat de nalatigheid van de bank aan de BV moest worden toegerekend en dat de BV daarom niet met vrucht kon stellen dat ten aanzien van haar sprake was van avas, ook al zou haar zonder de bedoelde toerekening niets te verwijten zijn. Tegen dit oordeel stelde de BV cassatieberoep in. Volgens de Hoge Raad kan een inhoudingsplichtige met vrucht een beroep op avas doen indien hij stelt en bij betwisting aannemelijk maakt dat hij alle in de gegeven omstandigheden van hem in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om te bewerkstelligen dat het verschuldigde bedrag tijdig op de rekening van de Belastingdienst zou zijn bijgeschreven. Het Hof heeft dit miskend, aldus de Hoge Raad. De zaak is verwezen.

Metadata

Rubriek(en)
Formeel belastingrecht
Belastingtijdvak
1 oktober 2001 tot en met 31 december 2001
Instantie
HR
Datum instantie
15 juni 2007
Rolnummer
42.687
ECLI
ECLI:NL:HR:2007:BA7184
bwbr0002320&artikel=67a&lid=1,bwbr0002320&artikel=67b&lid=1,bwbr0002320&artikel=67c&lid=1,bwbr0005537&artikel=5:41

Naar de bovenkant van de pagina