Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

De OESO is een samenwerkingsverband van 35 landen om sociaal en economisch beleid te bestuderen en te coördineren. De aangesloten landen proberen gezamenlijke problemen op te lossen en internationaal beleid af te stemmen.


De intergouvernementele Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) werd in 1961 opgericht als uitvloeisel van het Marshall Plan. Om succesvol en legitiem te zijn heeft een organisatie als de OESO (i) deskundigheid, (ii) daadkracht en (iii) politieke geloofwaardigheid, en dus vertrouwen, nodig. Over criterium (i) kan bij de OESO geen twijfel zijn. Het is bij uitstek deskundig. Ook voor wat betreft criterium (ii) – daadkracht – voldoet de OESO. Het is een handige organisatie die altijd binnen de lijntjes blijft. Het is een indrukwekkende consensusmachine. Op punten van geloofwaardigheid en vertrouwen – criterium (iii) – blijft de OESO echter achter. Desalniettemin kwam de G20 door onder andere de deskundigheid en het vele loopwerk van OESO’s opperhoofd Gurria, voor het BEPS-project uit bij de OESO. Dat is een bevestiging van de enorme status van het OESO. Toch denkt Paul de Haan dat de OESO zich niet kan losmaken van zijn opdrachtgevers c.q. principalen, de VS niet in de laatste plaats.

En niets dat mij zo in verwarring brengt als het geluid van een varken, warm en diep als de lage noten op een saxofoon.1The meek are screwed.2

In 2016 schreven Rixen en Dietsch: ‘Until quite recently a book with the title Global Tax Governance would have been unthinkable.’3 En nu verrast Sieb Kingma ons met zijn proefschrift getiteld ‘Inclusive Global Tax Governance in the Post-BEPS Era’. In zijn Kluwer-blog van 11 oktober jl. licht hij een tipje van de sluier op omtrent zijn bevindingen en aanbevelingen. Hij schrijft dat het OESO/G20-project een ‘historical breakthrough in the status quo of tax cooperation and coordination’ betekent en moet worden gezien als ‘a step in the right direction’.

Zijn aanbevelingen zijn eerder randvoorwaarden, denk ik. De OESO moet ‘through its Inclusive Framework on BEPS (…) have a fair chance as the central, inclusive forum for international income tax cooperation and coordination’. En: ‘Developing countries should get financial and technical support to join and participate in the Inclusive Framework.’

En ook: ‘Eventually, a “fair” allocation of taxing rights should be put on the international tax agenda.’ Voor wat betreft ontwikkelingslanden vindt Kingma dat de Verenigde Naties hier een actieve rol moeten spelen en dat ontwikkelingslanden regionale coalities moeten vormen om hun positie in het debat te versterken.

De kernvraag is eerder gesteld door Christians en Van Apeldoorn: ‘The decision to move forward with the Inclusive Framework is fundamentally an act of trust in the OECD as an institution.’4 Met andere woorden: beste lezer, zoudt u een tweedehandsauto van de OESO kopen? Kingma gunt – zie ik het goed – het instituut in ieder geval het voordeel van de twijfel. Zijn aanbevelingen getuigen van een zeker realisme. Ik teken aan dat ik zijn proefschrift nog niet heb, laat staan gelezen, maar ik kijk ernaar uit.

Ik ben geneigd bedoelde vraag met nee te beantwoorden. Allereerst maakt één doorbraak nog geen zomer en verder – vrij naar wijlen Maarten Ellis – een stap vooruit kan ook een stap (verder) het donker in betekenen. Het multilaterale is op zich geen doorbraak; daar was de OESO al in 1998 mee begonnen. Zie hierna. Eind negentiger jaren werd de OESO geroepen de dreiging van het internet voor belastingopbrengsten te neutraliseren. De facto was dit toch al een soort G20-opdracht. De noodzaak van een fundamentele stelselherziening kwam expliciet aan de orde. Onder BEPS niets van dit alles. De aanprijzende adjectieven in de BEPS-rapportering als holistisch en innovatief zijn hol en leeg.

Zoals econoom Joseph Stiglitz recent raak opmerkte:

‘The fundamental problem is that BEPS offers only patchwork fixes to a fundamentally flawed and incorrigible status quo.’5

Een van mijn fiscale helden – Avi-Yonah – haalt een andere heldin aan, Mindy Herzfeld: ‘attempts at coordination cannot be successful unless there is agreement on an underlying set of principles for allocating revenue of global citizens (...)’.6

Verder is de OESO politiek-genetisch voortgekomen uit het rijke Westen met de VS voorop en het lijkt me zo goed als onmogelijk om die erfelijke belasting kwijt te raken. Het feit dat misbruik door indirecte aandelenoverdrachten (zeg maar de India en Vodafone-zaak) niet in het BEPS-project zijn behandeld vind ik al een veeg teken. Het zijn met name ontwikkelingslanden die daar mee zitten.

BEPS is een doorbraakje, maar de pilaren coherentie en substance blijven achter bij transparantie. Het gevolg is dat je een verrot systeem blijft hanteren met dit verschil dat nu iedereen ervan weet (of liever: iedereen denkt ervan te weten). Dat lijkt mij een gevaarlijk mengsel waar alleen de socialemediaplatforms baat bij hebben. De vergelijking met rekenrentes, dekkingsgraden en pensioenfondsen dringt zich op: iedere week paniek.

Om succesvol en legitiem te zijn, heeft een organisatie (i) deskundigheid, (ii) daadkracht en (iii) politieke geloofwaardigheid, dus vertrouwen, nodig. Over criterium (i) kan bij de OESO geen twijfel zijn. Het is bij uitstek deskundig; al verlustigt het zich soms opvallend in doelrationele oplossingen en technische complexiteit zonder dat bekend is welk bestaand probleem nu eigenlijk wordt bestreden.7 Het meest sprekende voorbeeld vind ik de behoefte om voor transfer pricing databases aan te leggen op plekken waar geen data zijn en bases zeer beperkt.

Ook voor wat betreft daadkracht, voldoet de OESO. Het is een handige organisatie die altijd binnen de lijntjes blijft. Het is een indrukwekkende consensusmachine. Met het rapport over harmful tax competition (1998) heeft de OESO laten zien multilateraal aan de bak te kunnen. De OESO was eind jaren 90 de enige organisatie die de hysterie over internet en belastingheffing kon wegnemen. Het was – denk ik – op dat moment dat er geen enkele concurrent meer over was en dat de OESO een daadwerkelijke onafhankelijke mondiale belastingorganisatie kon worden.

Maar het gebeurde niet. Op punten van geloofwaardigheid en vertrouwen blijft de OESO achter. Noch ontwikkelingslanden, noch andere, nieuwe stakeholders in dit proces worden warmhartelijk aan tafel genood. Het blijft toch een soort Vrijmetselaarsloge met vreemde handdrukken en rare rituelen met troffels, beitels en vlakspanen. Inclusief in naam, exclusief in de praktijk.

Desniettemin kwam de G20 door onder andere de deskundigheid en het vele loopwerk van OESO’s opperhoofd Gurria, voor het BEPS-project uit bij de OESO. Dat is een bevestiging van de enorme status van het OESO. Toch denk ik dat de OESO zich niet kan losmaken van zijn opdrachtgevers c.q. principalen, de VS niet in de laatste plaats.

De OESO legt uit dat het met betrekking tot ontwikkelingslanden drie pijlers heeft:

  1. deelname in het OECD Fiscal Committee (CFA);
  2. OECD Partnership met ‘regional tax organizations and participation in regional conferences’; en
  3. ‘capacity building support’.

Conferenties, overleg, representatieve organisaties, toolkits en platforms zijn over het algemeen verspilling van tijd en geld. En aan beide hebben ontwikkelingslanden groot gebrek. Het zal veel mensen in het Westen raar in de oren klinken maar een trip naar Parijs is voor veel Afrikaanse belastingdiensten heel veel geld. Aan tafel zitten in de CFA is een stapje voorwaarts maar inclusiviteit houdt in meepraten en meebeslissen en daar is denk ik echt geen sprake van. Door mijn werk voor de stichting Capabuild en IBFD kom ik regelmatig in ontwikkelingslanden en het is met de OESO een beetje zoals wat Bolkestein teweeg heeft gebracht bij de EU: wel respect, maar geen liefde en vertrouwen. Optimistisch ben ik wel over de bereidheid van ontwikkelingslanden om in training en educatie te investeren, maar de kortetermijnbudgetten zijn vaak dwingender dan langetermijninvestering in training. Ik ben zeer benieuwd naar Kingma’s bevindingen en overwegingen in dit opzicht.

De financial and technical support voor ontwikkelingslanden is noodzakelijk, maar de wetten van de Realpolitik zijn onverbiddelijk; hiermee gaat men geen politieke machtsverschillen overbruggen. Een politiek probleem vereist een politieke oplossing. Waar alles mee begint en eindigt is uiteraard het allesoverheersende thema van een fair allocation of taxing rights. Zie Stiglitz, Dagan en Herzfeld hiervoor.

De VN-commissies over belastingen zijn deskundig en politiek geloofwaardig, maar qua daadkracht scoren ze ver beneden een voldoende. Dat ontwikkelingslanden ook op dit punt moeten samenwerken is terecht. Gebruik van het woord ‘stimuleren’ door Kingma klinkt een beetje paternalistisch: ‘Development has never been something that the rich bestowed on the poor but rather something the poor achieved for themselves’.8 Een mooi voorbeeld van dit laatste is de snelle totstandkoming van de overeenkomst over de Continental Free Trade Area in Afrika; de onderhandelingen begonnen in 2015 en de ondertekening door 44 Afrikaanse landen vond plaats in 2018 in Kigali. De EU mocht willen zo snel te kunnen besluiten.9 Materieel wordt er al veel samengewerkt door belastingdiensten in Afrika maar de vraag is of dit op politiek beleidsniveau doordringt. Het is voor ontwikkelingslanden hoog tijd dat zij de koppen bij elkaar steken en een tegenkracht en -stem organiseren.

Gevoelsmatig begrijp ik Dagans positie beter:

‘It (PdH: haar boek) argues that cooperative initiatives on both the bilateral and multilateral level, although portrayed as benefiting all actors involved, are, in fact, instruments that serve the interest of strong and rich countries at the expense of developing countries.’10

Na met name het werk van Rixen en Dietsch (zie boven), Cees Peters’ werk over de Habermassiaanse legitimiteit van het internationaal fiscaal raamwerk, Dagans pleidooi voor gereguleerde tax competition is het nu aan Kingma om zich inhoudelijk met global tax governance te moeien. Alleen de onderwerpkeuze al is een compliment waard! Want hij wist dat deze materie nog te zacht is voor de verbeeldingskracht en toch heeft hij geschreven in plaats van te wachten tot alles volkomen sluit.11 Over het debat is verder nog niets te zeggen. De reis zal lang en hard zijn, maar ik hoop dat die reis iets van de slotpassages van Over oude wegen van Mathijs Deen zal hebben:

‘met zijn allen in de auto, iedereen nog in leven, onderweg door een opwindende maar vertrouwde wereld, met alleen maar geluk in het vooruitzicht’.12

Dat de realiteit in veel gevallen meer weg heeft van de Dodenrit van Drs. P doet aan de wens niet af.

Rubriek(en)
Overig
Auteur(s)
Paul de Haan
De Haan advies
NLF-nummer
NLF Opinie 2019/45
Judoreg
NFB2812
Publicatiedatum
31 oktober 2019

X