Direct naar content gaan

Gerelateerde content

  • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

Samenvatting

X (bv; belanghebbende) heeft een woonconcept ontwikkeld en heeft hiervoor voorlopige investeringsverklaringen aangevraagd op basis van de ‘Regeling Vermindering Verhuurderheffing’. Zij heeft het project (de onroerende zaken) voor haar rekening en risico gebouwd en vervolgens tegen een vergoeding van ruim € 85 miljoen aan een derde partij (hierna: A) overgedragen. In een separate overeenkomst zijn partijen overeengekomen dat A aanspraak maakt op (uitbetaling van) de verhuurderheffing aan haar en dat zij aan X een van de hoogte van de toegekende verhuurderheffing afhankelijk bedrag betaalt. Op grond van de verdeling in deze separate overeenkomst heeft A een bedrag van € 6.700.000 aan X betaald.
In geschil is of dit bedrag een vergoeding vormt voor een belastbare prestatie van X aan A en derhalve aan de heffing van omzetbelasting is onderworpen.
Dat is volgens Rechtbank Den Haag het geval. Zij oordeelt dat de levering van de onroerende zaken als hoofdprestatie aangemerkt dient te worden en dat de afspraak die partijen hebben gemaakt alsook de feitelijke uitvoering daarvan, zodat voldaan wordt aan de voorwaarden om voor heffingsvermindering in aanmerking te komen, als bijkomende prestatie bij die hoofdprestatie heeft te gelden en derhalve het lot van de hoofdprestatie deelt. Het beroep is ongegrond.

Metadata

Rubriek(en)
Omzetbelasting
Belastingtijdvak
vierde kwartaal 2020
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum instantie
6 september 2022
Rolnummer
21/7230
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2022:9167

Naar de bovenkant van de pagina