Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

Een opinie over oordelen door accountants en over accountants, over inktschijterij en tax uncertainty en een aansporing tot vriendelijkheid in het nieuwe jaar.

Es gehört zu den eindrucksvollsten Merkmalen der Hochkulturen, (..) dass sie ‘den Menschen’ mit zunehmender Explizitheit als ein Wesen auffassen, in dessen Natur es liege, Irrtümern zum Opfer zu fallen.1Just... Stop fuckin’ dancing. If we’re right, people lose homes. People lose jobs. People lose retirement savings, people lose pensions. You know what I hate about fucking banking? It reduces people to numbers. Here’s a number – every 1% unemployment goes up, 40,000 people die, did you know that?2 Publiek oordeel

In het voorwoord bij de dagboeken van zijn overleden moeder Susan Sontag schrijft David Rieff dat zijn moeder een groot ‘oordelaar’ (in het origineel: ‘judger’) was.3 Het oordeel is iets waar denker Hannah Arendt veel over nadacht. Arendt was overigens niet misselijk in haar oordelen. Over filosoof Adorno: ‘die komt er bij ons niet in!’. Over ex-minnaar, leermeester-filosoof en oud-nazi partijlid, Heidegger oordeelde ze – zonder ironie – dat hij niet zozeer een slecht karakter had gehad als wel helemaal geen karakter.

Waar fiscalisten zich in gemoede afvragen waarom iedereen een hekel aan hen heeft, hebben onze geloofsgenoten binnen de financiële kerk, de accountants, soortgelijke problemen met de buitenwereld. Oordelen is iets wat onze broeders en zusters werkzaam in de accountancy kennelijk minder goed lijkt af te gaan. Er komen scheuren in het hemelgewelf van de economische rationaliteit, zo schrijft FD-columnist en denker René ten Bos.4 Deze beroepsgroep ligt in ieder geval al sinds de crisis van 2008 zwaar onder vuur en zijn oordeel is aan serieuze twijfel onderhevig. Terwijl in de woorden van de Autoriteit Financiële Markten, de accountants ‘een onafhankelijk oordeel (moeten) geven over een verantwoording zodat derden daarop mogen vertrouwen’. Hun oordeel houdt een bevestiging in van een juist en getrouw beeld van het financiële reilen en zeilen van een bedrijf of instelling over een bepaalde periode. Zodoende vormen zij de ruggengraat van het kapitalisme.5

Dat valt nog niet mee.

Vlak voordat enige jaren geleden de Bank of Ireland van de accountant een ‘clean bill of health’ had gekregen, klapte de bank in elkaar en moest de Ierse overheid € 5 miljard lappen om die bank overeind te houden. De accountant van de bank (PwC) verklaarde naderhand dat de jaarrekening een ‘true and fair representation’ was geweest van de financiële positie van de bank, waarbij miljarden aan ongerealiseerde verliezen in de kast bleven en op basis van het heilige ‘fair value accounting’, winsten erg makkelijk naar voren zijn gehaald. Men vraagt zich terecht af hoe technisch ingewikkelde bepalingen als IAS 39 en IFRS 9 in concreto uitpakken en of accountants die regels bijna mechanisch moeten toepassen. Dat laatste punt is niet zo moeilijk te duiden: als blijkt dat een bedrijf op omvallen staat, dan moet dat – denk ik – uit het oordeel van de accountant blijken. Slaafs de regels toepassen, lijkt me geen recht doen aan de waardigheid van de professie.

In de Financial Times6 meent barones Bowles:7

‘Trust in both auditing and business is undermined by the sort of hocus-pocus that treats upward valuations as legitimate profits and ignores foreseeable losses. Auditors need to exercise their judgment if their assurance is to mean anything.’

Zij bepleit onder andere meer toezicht. Toekomstig voorzitter van de Nederlandse commissie die de toekomst van de accountancysector gaat regelen, Annetje Ottow, beziet dat met enige scepsis: ‘Sinds de financiële crisis is men veel kritischer naar toezichthouders gaan kijken’, vervolgt Ottow. Maar vreemd genoeg wordt de oplossing vooralsnog gezocht in meer toezicht.8

Waarom zou meer van hetzelfde wel helpen, zeg ik haar na? Het heeft als schadelijk bijeffect dat de toegankelijkheid van de markt voor audits van grote bedrijven – voor meer dan 90% in handen van de Big Four – nog minder wordt. Nu al trekken de kleinere audit firms zich terug uit de race om de grote klanten omdat ze de onderhoudskosten niet aan kunnen. Die onderhoudskosten betreffen vooral de toenemende regulering. Kortom, men bereikt het tegendeel (minder competitie) van wat men wil bereiken (meer competitie).

Commissie-oordeel

Maar die mevrouw Ottow, die kan wel wat. Ik was onder de indruk van het interview in NRC waar zij opmerkte een stabieler leven te hebben gekregen door haar instabiele bekken. Voor dat fysieke gebrek, zo zegt zij, was zij gewend ‘vrij grenzeloos te zijn in alles wat ik deed. Ik heb moeten leren stapje voor stapje weer vooruit te komen.’9 Een persoonlijke onthulling die mij erg voor haar inneemt; zij denkt na over wat er gebeurt. (Een goed interview valt op. Bij de meeste interviews gaat het vaak nagenoeg uitsluitend om gênante zelftentoonstelling, ook wel: ‘branding’ genoemd.) Haar internationale ervaring op het terrein van marktwerking en toezicht en haar verleden in de advocatuur zijn belangrijke voordelen.

Los van het oordeelkundig vermogen van accountants en regels als IFRS 9,10 zal de Commissie-Ottow, organisatie en cultuur van de Big Four in kaart moeten brengen. De vraag: wat is nu eigenlijk de macht en invloed van de Big Four, moet nadrukkelijk aan de orde komen. Hier zou ik mevrouw Ottow willen aanraden eens met antropologe Johanna Mugler (Universiteit van Bern) te praten. Zij bekijkt beroepshalve al lang de internationale fiscale biotoop (of: apenrots) en gaat daar een boek over schrijven, geloof ik. Sociologen, antropologen, psychologen en filosofen zijn veel beter in staat macht en invloed weer te geven dan bijvoorbeeld juristen of economen, die de neiging hebben mee te bewegen met macht en invloed en hangen aan status quo. Een journalist als Joris Luyendijk heeft met groot commercieel succes een antropologische methode toegepast op het financiële centrum van Londen:

‘Daar ging ik, een als antropoloog opgeleide Nederlandse journalist (...): Kuifje bij de Bankiers.’11

(Helemaal geslaagd vond ik zijn avontuur niet, maar er is niemand die zo helder en toegankelijk over complexe onderwerpen kan berichten.)

Persoonlijk vooroordeel

Bij de afronding van deze opinie zag ik het FD-artikel van Jeroen Piersma over de accounting problematiek.12 Het bevat een opsomming van tiental opties waarvan zeven, niets oplossen (bijvoorbeeld financial statement insurance), twee een beetje in de buurt komen van een oplossing (te weten geen partnerstructuur meer en het intermediairmodel) en één een echte, principiële keuze inhoudt, namelijk invoering van de rijks- of overheidsaccountant. Voor wat betreft die laatste optie: net zomin als privatisering is nationalisering een tovermiddel en waarborg voor succes.

Er zijn betere manieren om binnen het bestaande systeem, marktwerking in te dammen. Een van de dingen die ik mevrouw Ottow dan ook zou willen aanraden: hou het bestaande systeem in stand. Ten eerste, is er een alternatief als de Big Four dit soort complexe controles niet meer doen? De Big Four doen nu meer dan 90% van alle grote ondernemingen en dat neemt niemand zomaar over. Zouden wij de controle van mega-ondernemingen aan de Kamers van Koophandel, Kamercommissies, Belastingdienst, departement van Financiën of De Nederlandsche Bank willen toevertrouwen? Of aan de kleinere kantoren die nu al moeite hebben met het enorme beslag van grote klanten op hun resources? Ten tweede, vier concurrenten is niet veel maar er zijn meer dan genoeg marktsectoren te bekennen waar niet meer dan vier aanbieders het grote spel bepalen, dus het beperkte aantal van vier kan geen fatale belemmering zijn. Tot slot, er bestaat geen twijfel over het feit dat de potentiële kwaliteit binnen de Big Four enorm is en dat zij in staat zijn talenten te werven en aan zich te binden. (Als oud-tax partner van PwC heb ik dat van nabij mee mogen maken.)

In plaats van een nieuw stelsel, kan de Commissie-Ottow beter focussen op de beoordelings-en beloningssystemen. Van oud-McKinsey voorzitter Mickey Huibregtsen heb ik geleerd dat ‘ons soort’ corporate partnerships alleen maar via het beoordelingssysteem te veranderen zijn. Breng het beoordelingssysteem onder direct extern toezicht (daar kun je wellicht het intermediairmodel op aanpassen) en men is al een grote stap verder. Een plafond aan de beloningen lijkt me zeker gepast. De kerntaak van de Big Four is en blijft toch de verplichte certificering van ondernemingen; de overige diensten kunnen op dit fundament van gedwongen winkelnering groeien. Het Big Four-model wordt daarom wel een ‘state guaranteed cartel’ genoemd.13 Waarom zouden de eigenaren van het accountantsbedrijf – de partners – volledig recht hebben op de ondernemers rent? Gemiddelde jaarwinstaandelen van rond de € 500.000 zijn naar mijn mening niet goed meer te rechtvaardigen. Daar staat tegenover dat controle fees een bodem moeten hebben; het neerwaartse risico zou ook beperkt moeten blijven. Mevrouw Ottow heeft de telecomtarieven behandeld binnen de vroegere OPTA en die zijn veel ingewikkelder dan de Big Four-financials. Die bestaan uit: uren maal tarief; onderhanden werk en debiteuren ouder dan zes maanden gewoon 100% afboeken, klaar.

De thymotische kanten van de professie mogen niet onbesproken blijven. Eerder is in deze sectie al eens Weber aangehaald voor de fiscalisten onder ons.14 Volgens de Duitse socioloog Max Weber is het beroep los komen te staan van de roeping en kan de eer van het beroep – zeg ik – letterlijk ingeruild worden voor omzet. Hij pleit voor gedrevenheid, verantwoordelijkheidsgevoel en inzicht vermengd met een letterlijk te nemen zakelijkheid; in de zin van een dienstbaarheid aan de zaak zelf. In veel gevallen waar mensen roepen om meer toezicht, bedoelen zij – denk ik – inzicht en met name zelfinzicht bij de onder toezicht gestelde groep. De accountant is geen robot maar een oordelend mens, dienstbaar aan de zaak. Sir James Crombie omschreef het prachtig beknopt voor nota bene de Engelse douane:

‘The service is one of people and not of procedures; not of forms but of flesh and blood.’15 Vlees en bloed versus inktschijterij

Dat brengt ons op de inktschijterij (woord van het jaar 2015 en gemunt door eerdergenoemde René ten Bos) die dag in dag uit over ons uitgestort wordt. Uitgangspunt zijn de wijze woorden van de kleingeestige schlemiel George Constanza:16

‘Jerry, just remember, it’s not a lie if you believe it.’

Geloven wij zelf alles wat wij lezen en schrijven? Rond de Kerst kom je wel eens een lang vergeten papier tegen. In mijn geval bleek dat ‘Tax Certainty’ te zijn; een IMF/OECD-report geschreven voor de G-20 ministers van Financiën uit – alweer – maart 2017. Als er een open deuren-Oscar zou kunnen worden uitgereikt voor het meest frequente gebruik van loze, algemene non-beweringen, maakt dit rapport een grote kans. Ik geef een kort lijstje:

  • ‘The report highlights that there is risk of uncertainty discouraging investment’;
  • ‘Tax certainty is a high priority for tax administrations’;
  • ‘Tax administrations identified taxpayer behaviour as an important source of uncertainty (PdH: en vice versa uiteraard)’;
  • ‘Reducing complexity and improving the clarity of legislation through improved tax policy and law design’; en uiteraard ontbreekt de gratuite verwijzing naar de minder bedeelde landen niet:
  • ‘While the focus of this report is on the G20 and OECD, it also presents an important opportunity to engage in dialogue with developing countries on areas where enhanced tax certainty furthers their development goals.’

De conclusie is dan dat er op korte termijn een workshop moet komen waar alle landen dit soort dingen kunnen bespreken. (Geeuw.) Daar komt waarschijnlijk weer een platform van en vervolgworkshops (Gaap.). De communicatieve rationaliteit plooit en klooit.17

Ik kan niet wachten op het onderzoeksresultaat van de Johanna Muglers van deze wereld: waar zijn de mensen van vlees en bloed achter al die workshops, rapporten, platforms en inktschijterij?

Goedertierenheid

Nu weten wij met de profeet Jesaja dat alle vlees gras is, dat bloed verdampt en goedertierenheid slechts een bloem in het veld is, maar aan het begin van dit nieuwe jaar wil ik toch een lans breken voor de vriendelijkheid. De recent overleden Israëlische schrijver Amoz Oz laat aantekenen:

‘Weet je waar het om gaat? Waar een vrouw naar moet zoeken in haar man? Ze moet zoeken naar een eigenschap die allerminst opwindend is, maar zeldzamer dan goud: fatsoen. En misschien ook vriendelijkheid.’18

Dat zou een leidraad voor werkgevers en werknemers moeten zijn, en voor internationale fiscale organisaties en accountants uiteraard.

Bij wijze van nieuwjaarsgroet rond ik graag af met de aansporing van weer een andere profeet:19

‘Vel een betrouwbaar oordeel, bewijs goedertierenheid en barmhartigheid, eenieder aan zijn naaste. Onderdruk weduwe noch wees, vreemdeling noch arme. Bedenk in uw hart geen kwaad tegen elkaar.’

Een voorspoedig 2019 voor alle vriendelijke mensen! En Feyenoord de beker natuurlijk.

Rubriek(en)
Overig
Auteur(s)
Paul de Haan
De Haan advies
NLF-nummer
NLF Opinie 2019/2
Judoreg
NFB2225
Publicatiedatum
10 januari 2019

X