Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

In het kader van het zogenoemde doorontwikkelde Horizontaal toezicht beloofde de fiscus met good practices (GP) te komen teneinde duidelijkheid te geven over hetgeen een Tax Control Framework zou moeten inhouden. Volgens Frans de Groot staan de GP bij de fiscus nog in de kinderschoenen. De vraag is of er nog verbetering komt.

Inleiding

Het Horizontaal toezicht van de Belastingdienst komt feitelijk neer op veel meer aandacht van de fiscus voor de administratieve organisatie en interne beheersing van een onderneming, waarbij uiteraard het uiteindelijke doel een goede aangifte blijft. De fiscus ziet daartoe graag dat bedrijven een Tax Control Framework (hierna: TCF) ontwikkelen. Vele jaren lang echter gaf de fiscus geen enkele concrete inhoud aan het TCF en bleef dit een black box.

In het kader van het zogenoemde doorontwikkelde Horizontaal toezicht (hierna: DHT) beloofde de fiscus echter met good practices (hierna: GP) te komen teneinde duidelijkheid te geven over hetgeen een TCF zou moeten inhouden.1 In december 2021 publiceerde de fiscus een eerste handleiding.2 En de fiscus gaf een webinar over de good practices. Hoewel de fiscus in theorie zelf GP zou kunnen publiceren, komen deze vanuit de vakgroep tax assurance van de NOB, die op haar beurt gebruikmaakt van de kennis van zes fiscale adviesbureaus, zoals PwC en Meijburg.

Deze GP zijn bedoeld voor alle bedrijven en de medewerkers van de Belastingdienst. Ze zijn echter allereerst van mogelijk belang voor de categorie ‘Groot’ posten binnen Grote Ondernemingen (hierna: GO). Immers, alleen deze kunnen nog een convenant sluiten dan wel verlengen en alleen zij nemen mogelijk nog deel aan het DHT. In het kader van het DHT kunnen de ‘Middelgrote’ posten binnen GO geen individuele convenanten meer sluiten, de eventuele individuele convenanten met deze posten worden of zijn opgezegd door de fiscus.3 Ook bij de allergrootste GO-posten, ‘Top’ posten, worden of zijn de individuele convenanten opgezegd. De kleinere bedrijven (mkb) konden al geen individueel convenant sluiten.

Er zijn in totaal negen GP gepubliceerd. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen grotere (A) en kleinere (B) organisaties. Deze negen GP zijn:

  • Fiscale strategie, zowel A als B (H2)
  • Fiscale organisatie, ook A en B (H3)
  • Fiscale risico analyse, ook A en B (H4)
  • Fiscale beheersing, alleen A (H5)
  • Monitoring, alleen A (H6)
  • Rapportage, ook alleen A (H7)

Veelal zijn de GP niet concreet

De nu gepubliceerde GP zijn bijna allemaal in zeer algemene bewoordingen gesteld. Er zijn wel enkele uitzonderingen. Op p. 36 van het document over de GP van de fiscus staat:

‘Daar waar de Belastingdienst besluit om zelfstandig toezichtwerkzaamheden uit te voeren, zal hij zich beperken tot een herbeoordeling van 10% van de door de organisatie zelf beoordeelde posten.’

Dit is uiteraard geen GP voor de bedrijven, maar wel een concrete aanwijzing voor de medewerkers van de dienst.

In afbeelding 5 en 6 – de fiscus noemt deze allebei een risicocontrolematrix – is het document heel concreet over de omzetbelasting.4 Afbeelding 5 maakt onderdeel uit van GP 5A inzake de fiscale beheersing. En afbeelding 6 hoort bij GP 6A inzake de monitoring. De fiscus geeft wel een nadere toelichting, maar geeft helaas niet aan of ze deze goed vindt, zodat de vraag is of dit daadwerkelijk good practices zijn in de ogen van de fiscus.

Reflectie Belastingdienst op de gepubliceerde GP

Bij elk van de gepubliceerde GP geeft de Belastingdienst een mening (‘reflectie’). Deze mening is in vijf gevallen, dat de GP onvoldoende is.

Deze vijf gevallen zijn als volgt:

  • Ten aanzien van de fiscale strategie5 (H2)
    De fiscus vermeldt over de twee gevallen (A en B) die zij publiceert: ‘De huidige opzet van de fiscale strategie in deze good practice is onvoldoende concreet geformuleerd om te bepalen of de organisatie voldoet aan het geschiktheidscriterium van het doorontwikkeld Horizontaal toezicht dat ziet op de fiscale strategie. Wel biedt het een goede basis om nader te spreken over de fiscale strategie van de organisatie en de betekenis daarvan voor het toezicht van de Belastingdienst’.
  • Ten aanzien van de fiscale risico analyse6
    In de twee gepubliceerde gevallen (A en B) is de conclusie van de fiscus als volgt. ‘De huidige uitwerking van de fiscale risicoanalyse in deze good practice is onvoldoende concreet geformuleerd om te bepalen of de organisatie voldoet aan het geschiktheidscriterium van het doorontwikkeld Horizontaal toezicht dat ziet op de fiscale risicoanalyse. Wel biedt het een goede basis om nader te spreken over de fiscale risicoanalyse van de organisatie en de betekenis daarvan voor het toezicht van de Belastingdienst’.
  • Ten aanzien van monitoring A7
    De conclusie van de fiscus is als volgt. ‘De huidige uitwerking van de fiscale monitoring in deze good practice is onvoldoende concreet geformuleerd om te bepalen of de organisatie voldoet aan het geschiktheidscriterium van het doorontwikkeld Horizontaal toezicht dat ziet op de fiscale monitoring. Wel biedt het een goede basis om nader te spreken over de fiscale monitoring van de organisatie en de betekenis daarvan voor het toezicht van de Belastingdienst’.

In vier gevallen is de Belastingdienst vrij positief. Dit betreft de fiscale organisatie van type A8 en B,9 de fiscale beheersing, alleen A10 en de rapportage.11

Voorbehouden van de fiscus

In haar voorwoord bij de in december 2021 gepubliceerde GP geeft de fiscus een ver strekkend voorbehoud inzake de waarde van de GP. Zie p. 4:

‘De opgenomen good practices zijn praktijkvoorbeelden en (bewust) geen limitatieve beschrijvingen. De praktijkvoorbeelden zijn bedoeld om een globaal beeld te geven van hoe een organisatie kan omgaan met verschillende elementen van het Tax Control Framework (TCF), niet om een volledig beeld te schetsen van een TCF. Deze verzameling van good practices is niet bedoeld, en moet dan ook zeker niet worden beschouwd, als een ‘handboek TCF’. Dit document bevat zodoende informatie, geen standpunten van de Belastingdienst over de uitleg van het recht in een concreet geval.’

Hoe kunnen de GP worden uitgebreid en verbeterd?

Uit het voorgaande blijkt, dat de titel GP niet spoort met de inhoud, omdat er vijf gevallen in staan die juist niet goed zijn in de ogen van de Belastingdienst. Er zijn vier gevallen die in de reflectie van de fiscus bijna volledig voldoen. Echter, ook deze vier GP zijn onderhevig aan de algemene voorbehouden die op p. 4 worden vermeld. Of deze gevallen nu écht goed zijn in de ogen van de fiscus blijft daarmee onduidelijk. En de GP zijn overwegend weinig concreet. Er is daarom nauwelijks verandering ten opzichte van de oorspronkelijke situatie: het TCF blijft toch vooral een black box.

Desalniettemin kunnen gepubliceerde GP op den duur toch praktisch belang krijgen doordat er geen andere bron is. De medewerkers van de Belastingdienst zullen er daarom wel betekenis aan toe moeten kennen. Maar daartoe zal er toch eerst sprake moeten zijn van een meer concrete inhoud. En een inhoud die de fiscus wél goed vindt zonder voorbehoud.

Een mogelijkheid om tot verbetering te komen is, dat de fiscus zelf met concrete ideeën komt na kennisname van de self assessments en documentatie van de categorie ‘Groot’ bedrijven (binnen GO) die mee willen doen aan het DHT. Echter, uit diverse bronnen12 blijkt, dat er nog steeds nauwelijks belangstelling is voor deelname aan het DHT. De belangstelling die er is, betreft alleen bedrijven die al een convenant hadden. De reden voor deze geringe belangstelling is vermoedelijk dat het DHT geen enkel voordeel geeft aan de deelnemer en deze zelf het initiatief tot deelname zou moeten nemen. Vooralsnog is het daarom niet of nauwelijks mogelijk om GP te ontlenen aan deelnemers aan het DHT.

Een mogelijkheid voor de fiscus is om de lat lager te gaan leggen: geen hoge eisen meer aan de administratieve organisatie en interne beheersing. Er kunnen dan nog een aantal convenanten behouden blijven en de fiscus kan nog enig succes melden inzake de deelname aan het DHT. Dit levert dan echter geen GP op.

Een tweede mogelijkheid is dat niet aan het DHT deelnemende bedrijven toch GP aanleveren. De Belastingdienst nodigt bedrijven daartoe uit.13 Ook in het webinar over de GP van de fiscus roept de dienst daar toe op. Nu er al nauwelijks belangstelling is voor het DHT, verwacht ik ook van deze optie geen concrete resultaten.

De meest voor de hand liggende mogelijkheid is daarom, dat de fiscus zich nog meer verlaat op de adviesbureaus en dat deze meer van hun concrete TCF-ontwerp publiceren. Uiteraard dan natuurlijk alleen die onderdelen, die ook door de fiscus echt als GP worden gezien, zonder voorbehoud. Echter, de adviesbureaus werken aan GP met de bedoeling dat klanten zich daarover laten adviseren tegen een vergoeding. Gratis publiceren ligt daarom niet voor de hand. Dit kan alleen veranderen, als de fiscus bereid is om zelf een betalende klant van de adviesbureaus te worden. Het lijkt me, dat dat niet gaat gebeuren.

Conclusie

De GP zijn weinig concreet, voorzien van een ver strekkend voorbehoud en vaak juist niet goed in de ogen van de fiscus. De GP staan bij de fiscus derhalve nog in de kinderschoenen en ik betwijfel of er nog verbetering komt. 

Rubriek(en)
Vennootschapsbelasting
Auteur(s)
Frans de Groot
Gepensioneerd; voorheen Belastingdienst
NLF-nummer
NLF Opinie 2022/16
Judoreg
NFB4984
Publicatiedatum
29 april 2022

X