Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent
Relevante Kamerstukken

27 oktober 2021

Noot bij nota van wijziging Arrest Hoge Raad samenloop houdsterverliezen en fiscale eenheid

Op 11 juni 2021 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen over de samenloop tussen de houdsterverliesregeling en het fiscale-eenheidsregime.1 Op basis van de houdsterverliesregeling (artikel 20, lid 4 t/m 6 (oud), Wet VpB 1969) kunnen verliezen geleden in een jaar waarin de feitelijke werkzaamheid van een belastingplichtige gedurende (nagenoeg) het gehele jaar voor 90% of meer bestaat uit het houden van deelnemingen of het (in)direct financieren van verbonden lichamen (‘houdsterverliezen’), alleen worden verrekend met winsten behaald in een jaar waarin eveneens aan deze toetsen voldaan is. De houdsterverliesregeling is weliswaar afgeschaft met ingang van 1 januari 2019, maar geldt op grond van artikel 34i Wet VpB 1969 voor nog te verrekenen verliezen geleden in boekjaren aangevangen voor die datum. Vanaf 2013 geleden houdsterverliezen2 worden met ingang van 1 januari 2022 bovendien onbeperkt voorwaarts in de tijd verrekenbaar (waarbij de verliesverrekening boven een bedrag van € 1.000.000 beperkt is tot maximaal 50% van de belastbare winst).

Houdsterverliezen geleden voor voeging van een belastingplichtige in een fiscale eenheid (‘houdstervoorvoegingsverliezen’) kunnen in beginsel slechts verrekend worden met de fiscale-eenheidswinst toerekenbaar aan die belastingplichtige/maatschappij (artikel 15ae, lid 1, onderdeel a, Wet VpB 1969). Op basis van artikel 5, lid 4, Besluit FE 2003 wordt de winst van een per oprichting gevoegde dochtermaatschappij echter aangemerkt als winst van de maatschappij die deze dochtermaatschappij heeft opgericht naar rato van haar kapitaalinbreng (‘de moedermaatschappij’). De werkzaamheden en het vermogen van de dochtermaatschappij worden daarentegen niet aan de moedermaatschappij toegerekend, zodat alleen relevant is of de moedermaatschappij standalone voldoende houdsterwerkzaamheden verricht (artikel 15ae, lid 3 (oud), Wet VpB 1969). De Hoge Raad laat in essentie in zijn arrest de bewoordingen van deze bepalingen prevaleren.3 Daardoor kan een moedermaatschappij haar houdstervoorvoegingsverliezen verrekenen met niet-houdsterwinsten (winsten uit andere dan houdster- en groepsfinancieringsactiviteiten) van een nieuw opgerichte en direct gevoegde dochtermaatschappij.

Rubriek(en)
Belastingplan 2022
Vennootschapsbelasting
Instantie
MvF
Datum instantie
6 oktober 2021
Parlementair dossier
NLF-nummer
NLFs 2021/0125
Aflevering
30 september 2021b
Auteur(s)
Isabella de Groot
Meijburg & Co

X