Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving(1)
  • Lagere regelgeving(1)
  • Besluiten(2)
  • Jurisprudentie(262)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur(1)
  • Recent(18)
  • Annotatie wetsgeschiedenis NLFiscaal(3)

X (bv; belanghebbende) heeft op aangifte € 167 BPM voldaan voor een uit Duitsland afkomstige gebruikte personenauto met aanzienlijke beschadigingen. De auto is in Duitsland op 21 maart 2011 voor het eerst toegelaten op de openbare weg. Toen de aangifte werd gedaan had de auto een kilometerstand van 56.419.

X heeft bij het berekenen van het voor de auto verschuldigde bedrag aan BPM een vermindering in aanmerking genomen (artikel 10, lid 1 en 2, Wet BPM (tekst 2013)). De Inspecteur heeft de auto door een andere taxateur laten taxeren. Op basis van deze taxatie heeft de Inspecteur een bedrag aan BPM nageheven.

Voor Hof Arnhem-Leeuwarden was in geschil in hoeverre de herstelkosten in mindering kunnen worden gebracht op de uit de koerslijst overgenomen handelsinkoopwaarde van een vergelijkbare personenauto. Het Hof heeft geoordeeld dat Rechtbank Gelderland door 72% van de herstelkosten in aanmerking te nemen, de handelsinkoopwaarde van de auto niet te hoog heeft vastgesteld.

In cassatie betoogt X dat in het oordeel van het Hof besloten ligt dat zij moet bewijzen dat de waardevermindering van de auto als gevolg van de beschadigingen meer bedraagt dan 72% van de herstelkosten. Volgens X is deze bewijslastverdeling in strijd met artikel 110 VWEU.

De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep echter ongegrond. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. De belastingplichtige die bij het vaststellen van de vermindering van BPM uitgaat van de handelsinkoopwaarde uit een koerslijst en stelt dat die handelsinkoopwaarde moet worden verminderd vanwege – niet in deze koerslijst verwerkte – beschadigingen aan de te registreren personenauto, draagt bij betwisting dan ook de last te bewijzen dat en in hoeverre beschadigingen een waardedaling ten opzichte van de uit die koerslijst volgende waarde tot gevolg hebben. Artikel 110 VWEU verzet zich niet tegen deze bewijslastverdeling. In dit verband verdient opmerking dat de belastingplichtige voldoende gelegenheid moet worden geboden het van hem gevraagde bewijs te leveren, aldus de Hoge Raad.

Verschil tussen het civiele- en het belastingrecht bij schade aan auto’s

In civiele zaken over schade aan auto’s geldt als algemeen uitgangspunt dat elke euro schade ook een euro waardevermindering oplevert.1 Hoewel het belastingrecht het civiele recht meestal volgt,2 geldt in de BPM een belangrijke uitzondering. In artikel 3.5 van Bijlage I bij de Uitvoeringsregeling Wet BPM staat namelijk dat de waardevermindering als gevolg van schade aan een auto wordt vastgesteld door het schadebedrag te vermenigvuldigen met 72% en dat als een taxateur van mening is dat de waardevermindering hoger is dan 72%, hij dit moet motiveren en staven met een deugdelijke schadecalculatie en beeldmateriaal.

Kritiek op de 72%-regel

Rubriek(en)
Autobelastingen
Belastingtijdvak
2013
Instantie
HR
Datum instantie
17 januari 2020
Rolnummer
18/03802
ECLI
ECLI:NL:HR:2020:63
Auteur(s)
Sacha Bothof
123BPM.NL
NLF-nummer
NLF 2020/0275
Aflevering
30 januari 2020
Judoreg
NFB3027
bwbr0005806&artikel=10,bwbr0005813&artikel=8&lid=4,bwbv0001506&artikel=110

X