Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving(3)
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(1)
  • Jurisprudentie(100)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur(5)
  • Recent(17)

HvJ 26 februari 2019, gevoegde zaken C-115/16, C-118/16, C-119/16 en C-299/16 (N Luxembourg 1 e.a.)


HvJ 26 februari 2019, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16 (T Danmark en Y Denmark)


Het Hof van Justitie heeft kort gezegd geoordeeld dat voor toepassing van het primaire EU-recht, de Moeder-dochterrichtlijn en de toepassing van de Interest- en royaltyrichtlijn vereist is dat vennootschappen voldoende substance hebben. Doorstroom- of brievenbusmaatschappijen kunnen derhalve op deze richtlijnen geen beroep doen en worden ook niet beschermd door het primaire EU-recht.

1. Inleiding

Het Hof van Justitie heeft zich in een aantal arresten in het kader van de toepassing van de Moeder-dochterrichtlijn en de Interest- en royaltyrichtlijn uitdrukkelijk uitgelaten over de fiscale positie van doorstroomvennootschappen.1 Een van de kernvragen was of dergelijke entiteiten op grond van de in beide richtlijnen opgenomen antimisbruikbepalingen genegeerd moeten worden. Daarnaast heeft toetsing plaatsgevonden aan het door het Hof van Justitie ontwikkelde leerstuk van misbruik van recht. Wat betreft de Interest- en royaltyrichtlijn is tevens getoetst aan het (alleen in die richtlijn opgenomen) criterium van de uiteindelijk gerechtigde (beneficial owner). In dit verband was tevens de vraag aan de orde hoe dat criterium zich verhoudt tot het overeenkomstige begrip in artikel 11 OESO-Modelverdrag.

Kort samengevat oordeelt het Hof van Justitie dat:

Rubriek(en)
Europees belastingrecht
Wetsartikelen
Auteur(s)
Peter Kavelaars
Erasmus Universiteit Rotterdam
NLF-nummer
NLF-W 2019/2
Judoreg
NFB2616
Publicatiedatum
10 mei 2019
bwbv0001506&artikel=49,bwbv0001506&artikel=54,bwbv0001506&artikel=63

X