Direct naar content gaan

Samenvatting

In de onderhavige zaak is de vraag aan de orde of W-GmbH (Duitsland) – een gemengde holding met een zeggenschapsdeelneming in de vennootschappen X-KG en Y-KG (hierna: dochterondernemingen), waarvoor W ook administratieve en boekhoudkundige diensten onder bezwarende titel verricht – recht heeft op aftrek van de btw die zij in een eerder stadium heeft betaald over de goederen en diensten die zij heeft afgenomen teneinde ze als vennoot in te brengen in haar dochterondernemingen ten behoeve van de door hen verrichte handelsactiviteiten die in hoge mate zijn vrijgesteld van btw.

Het Bundesfinanzhof heeft in het kader van een geding hierover tussen het Finanzamt en W prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ.

Het HvJ verklaart voor recht dat artikel 168, onder a, Btw-richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 167 van deze richtlijn, aldus moet aldus worden uitgelegd dat een holding die voor dochterondernemingen belaste handelingen in een later stadium verricht, geen recht heeft op aftrek van de voorbelasting over diensten die zij van derden afneemt en in ruil voor een deelneming in de algemene winst inbrengt in de dochterondernemingen wanneer, ten eerste, de diensten in een eerder stadium niet rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met de eigen handelingen van de holding maar met de voor het merendeel vrijgestelde activiteiten van de dochterondernemingen, ten tweede, die diensten niet zijn opgenomen in de prijs van de voor de dochterondernemingen verrichte belaste handelingen en, ten derde, die diensten niet behoren tot de algemene kosten van de eigen economische activiteit van de holding.

Conform conclusie A-G Pitruzzella, ECLI:EU:C:2022:160.

Metadata

Rubriek(en)
Omzetbelasting
Belastingtijdvak
2013
Instantie
HvJ
Datum instantie
8 september 2022
Rolnummer
C‑98/21
ECLI
ECLI:EU:C:2022:645
celex32006l0112&artikel=167,celex32006l0112&artikel=168

Naar de bovenkant van de pagina