Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

Het wetsvoorstel ‘Spoedreparatie fiscale eenheid’ (Kamerstukken II 2017/18, 34 949) werd op 6 juni 2018 door staatssecretaris Menno Snel van Financiën bij de Tweede Kamer ingediend. Naar verwachting zal de staatssecretaris het wetsvoorstel snel en vermoedelijk ongewijzigd door de Kamer kunnen loodsen. Een eerste inschatting van het politieke krachtenveld maakt namelijk duidelijk dat de regeringsfracties van VVD, CDA, D66 en CU vanuit hun fractiedisciplines wel zullen moeten instemmen met het wetsvoorstel en zij hebben samen een meerderheid van 76 van de 150 Kamerzetels. Vanuit de praktijk klinken echter heel andere geluiden. De kernvraag is of het kabinet bereid is een draai te maken als de Hoge Raad de conclusie van A-G Wattel volgt, waardoor de grondslag aan het wetsvoorstel zou komen te ontvallen. De auteur geeft een overzicht van de stand van zaken.

De aanleiding

Door een uitspraak van het HvJ van 22 februari 20181 moet Nederland belastingvoordelen die voorheen alleen golden voor ondernemingen in Nederland ook toekennen aan ondernemingen in Nederland met dochtervennootschappen in andere landen van de Europese Unie. Als deze ondernemingen er gebruik van maken, zou dat de Nederlandse staat ‘enkele honderden miljoenen euro’s per jaar’ minder belasting opleveren. Het kabinet voert daarom een wetswijziging door in de vennootschapsbelasting en de dividendbelasting, die met terugwerkende kracht geldt vanaf 25 oktober 2017. In specifieke gevallen en voor een beperkte periode bevat het voorstel een overgangsmaatregel. Daarmee krijgt vooral het mkb de gelegenheid zich aan te passen aan de nieuwe regels en de gevolgen van de spoedreparatiemaatregelen te voorkomen. Ook de wetgeving voor de innovatiebox in de vennootschapsbelasting verandert met dit wetsvoorstel. Eveneens met terugwerkende kracht, waardoor de nieuwe regel geldt vanaf 1 maart 2018.

Uitstel inbreng schriftelijke vragen Tweede Kamerfracties

Tweede Kamerlid Martin van Rooijen (50PLUS) heeft zijn collega’s van de vaste commissie voor Financiën op 9 juli jl. verzocht om de termijn voor het leveren van de inbreng bij dit wetsvoorstel te verlengen. De termijn is in de procedurevergadering van de commissie van 7 juni 2018 vastgesteld op donderdag 12 juli, 14.00 uur. Het verzoek van Van Rooijen heeft tot gevolg gehad dat de bovengenoemde inbrengtermijn is verlengd tot 30 juli 2018, 12.00 uur. Omdat de wijziging van de inbrengdatum tot voor kort niet was te voorzien, heeft de Kamer al wel een aantal reacties op het wetsvoorstel ontvangen. Hieronder ga ik in op de hoofdlijnen van de commentaren van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (Orde), het Register Belastingadviseurs (RB) en de op verzoek van de Kamer opgestelde position papers van de hoogleraren Bellingwout en Smit.

Commentaar Orde

De Orde is teleurgesteld dat het wetsvoorstel slechts in heel beperkte mate meer duidelijkheid geeft dan de brieven die in de afgelopen maanden over dit onderwerp zijn gepubliceerd en dat veel van de vragen die in de vakliteratuur zijn opgeroepen, niet zijn meegenomen in de toelichting. Het wetsvoorstel geeft dan ook op veel cruciale vragen geen antwoord. Daarmee wordt het wetsvoorstel zowel voor de Belastingdienst als voor de belastingplichtigen en hun adviseurs zeer problematisch in de uitvoering. De Orde geeft nogmaals in overweging de wetgeving niet met terugwerkende kracht vanaf 25 oktober 2017 te laten ingaan. Het risico van gedragseffecten is immers reeds geweken. De Orde doet vanuit haar vaktechnische expertise enkele suggesties ter verbetering.

Commentaar RB

Het RB plaatst vraagtekens bij het argument van de regering dat het arrest van het HvJ zou kunnen leiden tot een structurele derving van belastinginkomsten van enkele honderden miljoenen euro’s per jaar en dat terugwerkende kracht noodzakelijk is om te voorkomen dat het budgettaire effect nog groter wordt. Het RB merkt op dat het budgettaire belang van de terugwerkende kracht niet is onderbouwd. Gezien het belang voor de praktijk van de terugwerkende kracht en de daarmee gepaard gaande rechtsonzekerheid zou een nadere onderbouwing volgens het RB op zijn plaats zijn.
Het RB vraagt voorts aandacht voor de terugwerkende kracht waarmee bestaande fiscale eenheden / (mkb-)ondernemingen te maken krijgen. Het RB wijst erop dat dit de rechtszekerheid niet ten goede komt.

Position paper Jaap Bellingwout (VU)

Hoogleraar Belastingrecht Jaap Bellingwout is door de Kamer benaderd om een position paper over het wetsvoorstel op te stellen. Bellingwout bepleit aanhouding van het wetsvoorstel.

Volgens hem heeft het kabinet bij het indienen van het wetsvoorstel geen rekening gehouden met het feit dat de Nederlandse Hoge Raad de uitspraak van het HvJ nog moet vertalen naar en toepassen op de concrete casus die voorligt en in het kader waarvan de Hoge Raad abstracte fiscaal juridische prejudiciële (rechts)vragen had voorgelegd aan het HvJ. Het is de conclusie van A-G Wattel2 die de ontwikkelingen op scherp zet. Op 8 juni 2018 concludeerde de A-G namelijk dat de Hoge Raad alsnog de belastingplichtige in het ongelijk moet stellen ten aanzien van de door de belastingplichtige veronderstelde onverenigbaarheid van het fiscale-eenheidregime met het Europese vrije vestigingsrecht. Kort en bondig geformuleerd door de A-G (punt 1.15):

‘(...) belanghebbendes beroep op EU-recht moet afgewezen worden omdat geen sprake is van discriminatie ten opzichte van het vergelijkbare binnenlandgeval (...)’.

Volgens Bellingwout is het niet ondenkbeeldig dat de Hoge Raad deze conclusie volgt, gelet op de waterdichte redenering van de A-G. Indien de Hoge Raad de conclusie van de A-G volgt, is geen sprake van een dreigend lek in de vennootschapsbelasting en ontvalt elke grond aan invoering van het zwaar bekritiseerde wetsvoorstel. Bellingwout concludeert daarom dat het wetsvoorstel te vroeg is ingediend. Verdere parlementaire behandeling is slechts zinvol indien het eindoordeel van de Hoge Raad bekend is. Het wetsvoorstel dient derhalve te worden aangehouden.

Position paper Daniël Smit (TU)

Evenals Bellingwout verwijst ook hoogleraar Belastingrecht Daniël Smit met goed onderbouwde argumenten naar de conclusie van de A-G. Potentieel is de benadering in het arrest van het HvJ beperkt tot uitzonderingssituaties. Mogelijk gaat het om een storm in een glas water.

Hoe nu verder?

Om dan terug te komen op de kernvraag; het is niet te verwachten dat het kabinet als (mede-)wetgever op de Hoge Raad zal gaan wachten. Dat heb ik nog nooit meegemaakt bij fiscale wetgeving en dat zal ook nu niet gaan gebeuren. Het nadere uitstel van de schriftelijke inbreng tot 30 juli 2018 is op verzoek van oppositiepartij 50PLUS tot stand gekomen. Dit uitstel zal vrijwel zeker alle fiscale woordvoerders in de Kamer goed zijn uitgekomen. De eerste dagen na het zomerreces is het namelijk goed om even bij te komen van de waan van de dag. Het uitstel kan dan ook een gelegenheid zijn voor een nadere reflectie op het wetsvoorstel. Anderzijds kan het ook zijn dat niemand zin heeft om zich middenin het reces echt inhoudelijk te gaan verdiepen in het wetsvoorstel, hetgeen alsdan zal leiden tot een waardeloos schriftelijk verslag. We gaan het zien. Verder uitstel behoort natuurlijk ook nog tot de mogelijkheden zolang er terugwerkende kracht aan het wetsvoorstel wordt gegeven. Nader uitstel van de parlementaire behandeling maakt politiek gezien en gezien de terugwerkende kracht, toch niks uit. Tijd rekken is in dit geval geen verkeerde optie.

Rubriek(en)
Vennootschapsbelasting
Auteur(s)
Felix Peppelenbosch
NLFiscaal
NLF-nummer
NLF Opinie 2018/33
Judoreg
NFB2187
Publicatiedatum
19 juli 2018

X