Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(4)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(14)
  • Jurisprudentie(187)
  • Commentaar NLFiscaal(8)
  • Literatuur(67)
  • Recent(8)

X (bv; belanghebbende) heeft op 17 november 2014 een overeenkomst gesloten voor de aankoop van een vliegtuig. De totale koopsom bedraagt $8.050.000, waarvan een bedrag van $2.050.000 is aanbetaald bij het ondertekenen van de overeenkomst. Het restant van de koopsom was verschuldigd op het moment van levering van het vliegtuig. Levering heeft plaatsgevonden in 2015 en de resterende koopsom is in april 2015 voldaan.

X, die de euro als functionele valuta hanteert, heeft het vliegtuig ultimo 2014 op haar fiscale balans opgenomen voor de koopsom van $8.050.000 tegen de wisselkoers op het moment van aankoop. De betalingsverplichting van $6.000.000 is eveneens tegen de koers op het moment van aankoop opgenomen op de balans. Ultimo 2014 is de waarde van de betalingsverplichting gestegen als gevolg van de koersontwikkeling euro/dollar. X heeft de toename van de verplichting in haar aangifte vpb 2014 aangemerkt als aftrekbaar valutaverlies. De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag geen rekening gehouden met het in de aangifte opgenomen negatieve valutaresultaat. X heeft beroep en hoger beroep ingesteld.

Een valutaresultaat op de resterende koopprijs als gevolg van de ontwikkeling van de wisselkoers tussen 17 november 2014 (datum ondertekening overeenkomst) en de datum van verschuldigdheid van de resterende koopprijs behoort tot de aanschaffingskosten van het vliegtuig, oordeelt Hof Den Haag. Dit valutaresultaat komt daarmee tot uitdrukking in de jaarlijkse afschrijvingen die vanaf ingebruikneming op het vliegtuig plaatsvinden. Tot het moment van verschuldigdheid van de resterende koopprijs correspondeert een ongerealiseerd valutaverlies op de verplichting ter zake van de resterende koopprijs met een even grote ongerealiseerde valutawinst op de resterende aanschaffingskosten. Gelet hierop is het in strijd met goed koopmansgebruik, in het bijzonder het realiteitsbeginsel, om in 2014 een ongerealiseerd valutaverlies op de verplichting tot betaling van het restant van de koopprijs in aftrek te brengen, oordeelt het Hof.

De Inspecteur beroept zich voorts terecht op interne compensatie.

Het hoger beroep is ongegrond.

Rubriek(en)
Vennootschapsbelasting
Belastingtijdvak
2014
Instantie
Hof Den Haag
Datum instantie
13 oktober 2020
Rolnummer
19/00609
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2020:2010
Auteur(s)
Lisanne Rijff
BDO
NLF-nummer
NLF 2020/2498
Aflevering
19 november 2020
Judoreg
NFB3822
bwbr0002672&artikel=7&lid=5,bwbr0002672&artikel=8&lid=1,bwbr0011353&artikel=3.25,bwbr0011353&artikel=3.30

X