Direct naar content gaan

Samenvatting

Mevrouw X heeft op 7 oktober 2003 bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2001. Het bezwaar is aangehouden in verband met een procedure van haar echtgenoot. X is in beroep gegaan tegen de mededeling om het bezwaar aan te houden.
Rechtbank Den Haag verklaarde zich echter onbevoegd. X ging in verzet maar overleed nog voordat de Rechtbank uitspraak deed op het verzet. Een erfgenaam, tevens mantelverzorger van X, heeft de procedure tot in cassatie en ook na verwijzing door de Hoge Raad voortgezet. Hierbij is verzocht om een vergoeding van immateriële schade die de erfgenaam, dan wel X heeft geleden wegens de lange duur van de behandeling van het geschil.
Hof Den Haag heeft beslist dat de erfgenaam in aanmerking komt voor een schadevergoeding welke tevens betrekking heeft op de periode vóór het overlijden van X. Het heeft de vergoeding vastgesteld op € 4.500.
De erfgenaam heeft de zaak opnieuw voorgelegd aan de Hoge Raad.
De Hoge Raad vindt in de behandeling van deze zaak aanleiding een overzicht te geven van zijn oordelen met betrekking tot de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in belastingzaken, voor zover het daarin niet om een bestuurlijke boete gaat.
Het zeer uitgebreide overzicht betreft enerzijds oordelen die de Hoge Raad reeds in eerdere arresten heeft gegeven, en anderzijds oordelen over een aantal kwesties die zich met regelmaat in de praktijk voordoen, maar waarover de Hoge Raad zich nog niet heeft uitgesproken.
Het onderhavige cassatieberoep wordt door de Hoge Raad op twee punten gegrond verklaard.
Het Hof heeft de Inspecteur ten onrechte niet veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht in de hoger beroepsprocedure voor wat betreft de hoofdzaak.
Verder is het Hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de redelijke termijn voor de berechting van de zaak in eerste aanleg dan wel heeft het Hof zijn uitspraak onvoldoende gemotiveerd. Als uitgangspunt geldt hierbij dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied indien de Rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen en de duur van een eventuele verzetsprocedure.
Voor het overige is het cassatieberoep van de erfgenaam ongegrond.
De Hoge Raad doet de zaak zelf af en kent een (hogere) vergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Metadata

Rubriek(en)
Formeel belastingrecht
Belastingtijdvak
2003 e.v.
Instantie
HR
Datum instantie
19 februari 2016
Rolnummer
14/03907
ECLI
ECLI:NL:HR:2016:252
bwbr0005537&artikel=8:73,bwbr0005537&artikel=8:88&lid=1,bwbr0005537&artikel=8:10a&lid=4,bwbr0005537&artikel=8:74&lid=2

Naar de bovenkant van de pagina