Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

Op 23 januari 2020 verscheen het eindrapport van de Commissie-Borstlap. De commissie stelt voor dat werkgevers eenzijdig een functie, werkplek of arbeidsduur kunnen aanpassen. De werkgever zou ook een werknemer gedeeltelijk kunnen ontslaan, zonder toestemming van de rechter of het UWV. Over de fiscale voorstellen van de commissie werd door de verschillende Tweede Kamerleden met geen woord gerept, terwijl die toch heel ingrijpend zijn. De commissie stelt onder andere voor om belastingen op het ondernemerschap (IB-ondernemers én dga’s) zwaarder te gaan belasten. Bij lezing van het (fiscale deel van het) rapport bekroop Felix Peppelenbosch het gevoel dat de commissie (mede) op fiscaal terrein onhaalbare en onrealistische voorstellen doet. Het zal vermoedelijk dan ook het zoveelste rapport worden dat snel in de Haagse bureaulades verdwijnt.

Minister Koolmees van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ontving op 23 januari 2020 het eindrapport ‘In wat voor land willen wij werken?’ van de Commissie Regulering van werk onder leiding van Hans Borstlap.

De commissie stelt voor dat werkgevers eenzijdig een functie, werkplek of arbeidsduur kunnen aanpassen De werkgever zou ook een werknemer gedeeltelijk kunnen ontslaan, zonder toestemming van de rechter of het UWV. PvdA-oppositieleider Asscher liet het volgende via Twitter weten: ‘Zo maak je miljoenen werknemers onzeker. Wat een dramatisch slecht idee: onacceptabel’, aldus Asscher. Ook minister president Rutte hield zich in het ‘gesprek met de minister-president’ op 24 januari 2020 opvallend op de vlakte. En Koolmees deed dat in zijn reactie eigenlijk ook. Maar over de fiscale voorstellen van de commissie – de commissie stelt onder andere voor om belastingen op het ondernemerschap zwaarder te gaan belasten – werd met geen word gerept, terwijl die toch heel ingrijpend zijn.

In het kort

Of je nou werkgever, vaste werknemer of flexwerker bent: voor iedereen zal er iets veranderen, schrijft de commissie. De commissie vindt de kloof tussen mensen met een vast contract en flexwerkers nu te groot. Nu belast de overheid het werk van zelfstandigen anders dan van andere werkenden. Dat moet gelijker worden. Bovendien moet de heffing op arbeid voor alle werkenden omlaag, hoe hun contract, dienstverband of ondernemingsvorm er ook uitziet. Daarnaast verdwijnen er voordelen voor ondernemers, zoals de mkb-winstvrijstelling. Die moet worden afgebouwd. Ook de zelfstandigenaftrek moet verdwijnen. Verder moeten zelfstandigen ook een premie gaan betalen voor het geval ze arbeidsongeschikt raken, en voor scholingsmogelijkheden waar ze zelf ook gebruik van kunnen maken.

Werk moet fiscaal gelijk worden behandeld

De commissie constateert dat de verschillen in behandeling tussen zelfstandigen en werknemers druk genereren om de kosten en risico’s rondom werk en niet de aard van het werk leidend te laten zijn bij het juridisch vormgeven van de arbeidsrelatie. Dit zorgt voor druk op de (handhaving van de) kwalificatie van de arbeidsrelatie en kan er eveneens toe leiden dat sociale risico’s rondom werk (deels) worden afgewenteld op het collectief. Het is volgens de commissie dan ook van groot belang om werk fiscaal gelijk te behandelen.

De commissie beveelt op dit punt het volgende aan:

  1. kom tot lagere lasten op arbeid en een gelijke fiscale behandeling van arbeid;
  2. kom tot een arbeidsongeschiktheidsverzekering voor alle werkenden; en
  3. kom tot uniforme voorwaarden voor pensioenvoorzieningen.

Hierna ga ik nader op het eerste punt in.

Ondernemersfaciliteiten moeten snel worden afgebouwd

De commissie adviseert:

  1. de huidige ondernemersfaciliteiten (inclusief de mkb-winstvrijstelling) volgens een herkenbaar tijdpad spoedig af te bouwen;
  2. voor de dga (zijn aandeel in) de winst van de vennootschap onmiddellijk te belasten, zoveel mogelijk als arbeidsinkomen; en
  3. fiscale faciliteiten voor ondernemers (inclusief dga’s) te richten op het in de onderneming aangewende kapitaal in de vorm van een vermogens- of een (algemene) investeringsaftrek.
Belasting op arbeid moet omlaag

De commissie constateert dat de lasten in de vorm van belastingen en premies in Nederland relatief hoog zijn en dat dit leidt tot een marginale lastendruk voor de meeste inkomensgroepen van boven de 50%. Indien dit wordt geplaatst in het perspectief van ‘de waarden van werk’ is het volgens de commissie vanzelfsprekend om te kijken in hoeverre de totale belastingen en premies op arbeid verlaagd kunnen worden, zodat werken meer loont en/of goedkoper wordt, waarmee de aantrekkelijkheid van werk kan toenemen.

Uiteraard spelen er bij het vaststellen van de belastingmix meer overwegingen een rol. De commissie adviseert daarom om in het onderzoek van de belastingmix, zoals afgelopen jaar aangekondigd door voormalig staatssecretaris Snel van Financiën, te bezien op welke wijze de lasten op arbeid kunnen worden verlaagd.

Verschillende fiscale regimes voor arbeid zijn niet goed

Tevens is in de probleemanalyse door de commissie geschetst dat er verschillende fiscale regimes voor arbeid zijn. De verschillende regimes leiden tot een verschil in lastendruk waardoor arbitrage tussen de fiscale regimes en de juridische vorm waarin arbeid wordt aangeboden, wordt bevorderd. Ook leveren vergelijkbare werkenden daardoor ongelijke bijdragen aan de collectieve lasten. De commissie vindt dat het beleid gericht moet zijn op het verminderen van deze verschillen.

Kabinet zet al stap in deze richting, maar dat is niet genoeg

In dit kader heeft het kabinet in het regeerakkoord al een maatregel aangekondigd die een stap in deze richting zet. Hierin is vastgelegd dat de aftrekposten in de inkomstenbelasting, inclusief de zelfstandigenaftrek, worden beperkt door het aftrektarief te verlagen. Vanaf 2020 wordt de aftrek in vier jaarlijkse stappen van drie procentpunten verlaagd naar het basistarief in de inkomstenbelasting. In aanvulling is in het Belastingplan 2020 geregeld om vanaf 2020 ook het bedrag van de zelfstandigenaftrek stapsgewijs te verlagen tot € 5.000 in 2028. Een andere maatregel die inspeelt op het verkleinen van de verschillen is het aangekondigde voorstel ‘Wet excessief lenen bij eigen vennootschap’. Deze maatregelen verminderen de hiervoor beschreven verschillen en zijn daarmee in lijn met het streven naar uniforme belasting van verschillende juridische vormen van arbeid.

Deze maatregelen laten echter onverlet dat er nog forse verschillen zijn in belastingen en premies op arbeid tussen zelfstandigen (inclusief dga’s) en werkenden in loondienst. De commissie is van oordeel dat het verder terugdringen van de verschillen op (korte) termijn nodig is. Dit wordt bereikt door beleid te richten op (meer) gelijke effectieve tarieven voor arbeidsinkomsten over het gehele inkomensspectrum voor de verschillende fiscale regimes. De commissie adviseert nader te onderzoeken hoe deze punten kunnen worden vormgegeven. De commissie beoogt hiermee dat arbeidsinkomsten voor zowel werknemers, resultaatsgenieters en IB-ondernemers op uniforme wijze worden belast.

IB-ondernemers en dga’s moeten veel zwaarder worden belast

Dit neemt volgens de commissie niet weg dat ondernemerschap van belang is en blijft voor onze economie. Het stimuleren van ondernemerschap blijft daarom ook belang houden. Een aantal van de huidige generieke fiscale faciliteiten voor zelfstandigen verstoort echter de uniformiteit van belasting op arbeid en creëert daarmee druk op de juridische vorm waarin arbeid wordt verricht.

Dit doet onrecht aan de waarden van werk. Dit kan worden voorkomen door fiscale faciliteiten van ondernemers te richten op een wezenlijk onderscheidend element van ondernemen, het gebruik van kapitaal. De commissie is zich ervan bewust dat deze beleidsrichting tot forse lastenstijgingen leidt voor een groep zelfstandigen (IB-ondernemers en dga’s), namelijk degenen onder hen die voornamelijk arbeid en weinig kapitaal inzetten in hun ondernemingsactiviteit. Zij zijn immers weinig gebaat bij een fiscale faciliteit gericht op kapitaalvorming in de onderneming. Dat is een onvermijdelijk gevolg van de keuze om arbeid gelijk te belasten ongeacht de verschijningsvorm. Voor kleine zelfstandigen (IB-ondernemers) is een lastenstijging naar de mening van de commissie het spiegelbeeld van ongelukkig fiscaal beleid in de afgelopen decennia. De fiscaliteit is een onhanteerbaar groot onderscheid gaan maken tussen zelfstandige en onzelfstandige arbeid, waardoor werkenden worden gestimuleerd om mede op oneigenlijke gronden (namelijk belastingbesparing) keuzes te maken. De scheefgroei bij dga’s ligt op een ander vlak: zij zijn door fiscale regels in staat gesteld om de progressieve belastingheffing over hun (arbeids)inkomen in belangrijke mate te ontgaan. Een herkenbaar tijdpad geeft zelfstandigen duidelijkheid over hun fiscale positie en wat zij in de tijd van de overheid kunnen verwachten. Hierbij zijn verschillende transitiepaden mogelijk, maar volgens de commissie is een spoedige afbouw van de verschillen in lasten op arbeid nodig om zo snel mogelijk de knelpunten weg te nemen en duidelijkheid te verschaffen over de wijzigingen die men in de nabije toekomst kan verwachten.

Ondernemers zwaarder belasten geen oplossing voor werkenden

VNO-NCW, MKB-Nederland en LTO Nederland wijzen de voorstellen voor zwaardere belastingen op het ondernemerschap (IB-ondernemers én dga’s) mijns inziens terecht af. De commissie schakelt ondernemers gelijk aan elke andere (zelfstandig) werkende, terwijl hun risico’s groter zijn en volledig voor eigen rekening komen. Ongelijke gevallen gelijk behandelen is geen oplossing. De ondernemersorganisaties vinden mijns inziens eveneens terecht dat de commissie hiermee de welvaarts- en banenmotor van Nederland – het ondernemerschap – ontmoedigt en ondermijnt, met mogelijk negatieve gevolgen voor de werkgelegenheid.

‘We hadden juist van de commissie verwacht dat zij een onderscheid zou kunnen bedenken tussen mensen die onafhankelijk werken en (andere) ondernemers.’ Conclusie

De richting van een aantal beleidsaanbevelingen in dit rapport is in veel gevallen al in lijn met het kabinetsbeleid. Met het herstellen van het evenwicht zijn de eerste stappen al gezet. Het kabinet verkleint de verschillen tussen vast en flex. De zzp-wetgeving staat in de steigers. Voorts maakt het kabinet het aantrekkelijk om mensen in dienst te nemen, bijvoorbeeld door maatregelen in de Wet arbeidsmarkt in balans en afspraken rond de loondoorbetaling. De vraag is nu hoe snel dit rapport in de Haagse bureaulades zal verdwijnen. Op 17 maart 2021 zijn er al weer nieuwe verkiezingen voor de Tweede Kamer. Verder zit het kabinet opgescheept met een enorm hoofdpijndossier, namelijk de afhandeling van de CAF-zaken en de reorganisatie van de Belastingdienst. Het Kamerdebat op 21 januari 2020 liet heel goed zien hoe diep minister-president Rutte en minister Hoekstra door het stof moesten gaan en moesten beloven om de CAF-zaken met de grootst mogelijke spoed netjes af te handelen. Ook staan Rutte en Hoekstra en de twee nieuwe staatssecretarissen (Hans Vijlbrief en Alexandra van Huffelen, beiden D66) min of meer onder curatele van de Kamer bij de reorganisatie van de Belastingdienst en de afhandeling van het toeslagen debacle. Problemen genoeg dus tot er weer nieuwe verkiezingen zijn. En iedere politieke partij zal tot aan de verkiezingsdatum belangrijke kiezersgroepen niet willen gaan schofferen. De door de commissie geconstateerde problemen op de arbeidsmarkt zijn overigens deze kabinetsperiode ook niet meer op te lossen. Laat staan dat veel van de door de commissie gedane fiscale voorstellen op dit moment volstrekt onhaalbaar en onrealistisch zijn. In de bureaula dus.

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Vennootschapsbelasting
Auteur(s)
Felix Peppelenbosch
NLFiscaal
NLF-nummer
NLF Opinie 2020/3
Judoreg
NFB3016
Publicatiedatum
27 januari 2020

X