Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

Op 25 maart 2021 werd het wetsvoorstel ‘Invoering conditionele bronbelasting op dividenden’ (Kamerstuk 35 779) bij de Tweede Kamer ingediend. Hierin stelt het kabinet voor om per 1 januari 2024 een aanvullende bronbelasting op dividenden naar laagbelastende jurisdicties en in misbruiksituaties in te voeren. Volgens Fred van Horzen is het beter om dit voorstel in te trekken en te vervangen door het voorstel dat Jan van de Streek tijdens zijn afscheidscollege op 19 januari 2021 heeft gedaan. 

Donderdag 25 maart 2021 zal de Nederlandse parlementaire geschiedenis ingaan als een van de meest spraakmakende dagen ooit, die nog lang in ons geheugen gegrift zal blijven, vanwege de gebeurtenis die door sommigen is aangeduid als ‘Ollongren-gate’. Voor fiscalisten kan deze gebeurtenis als ezelsbrug dienen om de datum te onthouden waarop het wetsvoorstel ‘Invoering conditionele bronbelasting op dividenden’ (Kamerstuk 35 779) is ingediend bij de Tweede Kamer.

Timing van het wetsvoorstel

Het idee voor een conditionele bronbelasting op dividenden uitgekeerd aan groepsmaatschappijen in laagbelastende jurisdicties was het eerste concrete beleidsvoornemen waarmee staatssecretaris Vijlbrief kort na zijn aantreden naar buiten kwam in mei 2020. Dit voornemen werd eind september 2020 nader uitgewerkt in een consultatiedocument. Het is de vraag waarom Vijlbrief in de nadagen van het demissionaire kabinet-Rutte III dit voorstel nog heeft ingediend. Gelet op de voorgestelde ingangsdatum van 1 januari 2024 was er niet echt haast geboden om het voorstel in te dienen. Wilde Vijlbrief nog even zijn persoonlijke politieke trofeeënkast aanvullen ten behoeve van een toekomstige functie, hetzij op het ministerie van Financiën hetzij elders? Of beoogde hij nog snel een nationaal belang te dienen? Wilde hij bijvoorbeeld duidelijk maken dat Nederland moedig voortgaat om een einde te maken aan het imago van belastingparadijs voor doorstromers? Zodat goede sier kan worden gemaakt met het wetsvoorstel richting de Europese Commissie met het oog op een eventueel beroep op het EU-coronafonds?1 Is wellicht sprake van een charme-offensief richting het Europees Parlement voor het geval het ‘Circus Paul Tang’ zijn tenten neerzet op het Malieveld? Of loopt de staatssecretaris alvast vooruit op de bevindingen en aanbevelingen van de Commissie-Ter Haar II inzake Nederland doorstroomland? Wellicht dat in het kader van de formatie ook een nadere verkenning naar het antwoord op deze vragen kan worden gestart.

Gemiste kans

De tekst van het wetsvoorstel wijkt nauwelijks af van het in consultatie gegeven voorstel. De twee relevante aanpassingen in het wetsvoorstel ten opzichte van het consultatiedocument betreffen het niet verschuldigd worden van de bronbelasting indien aandelen ter tijdelijke belegging worden ingekocht (artikel 3.4a, lid 2, onderdeel a, Wet Bb 2021) en het regelen van de samenloop van een naheffing dividendbelasting en een naheffing conditionele bronbelasting dividenden (artikel 6.2 Wet Bb 2021). Deze wijzigingen zijn onder andere gesuggereerd door de Commissie Wetsvoorstellen van de NOB tijdens de consultatieronde, dus de aanval van Bart Snels tegen de invloed van de ‘lobbymachine’ NOB op het wetgevingsproces heeft duidelijk een tegenslag ondervonden. Wat ook opvallend is, gegeven de bij herhaling door Snels uitgesproken voorliefde voor hoogleraren met enkele pet, is dat in de toelichting op het wetsvoorstel totaal geen aandacht wordt geschonken aan de door Jan van de Streek tijdens zijn UvA-afscheidscollege in januari 2021 gedane aanbevelingen met betrekking tot het consultatiedocument. In dat college heeft Van de Streek helder aangegeven dat de Wet DB 1965 door middel van een aantal relatief eenvoudige ingrepen kan worden aangepast met het oog op het effectief belasten van dividendstromen naar laagbelastende jurisdicties. De inhoud van het college is terug te lezen in NLF-W 2021/1.2 Dat het voorstel van Van de Streek zonder enig commentaar ter zijde is gelegd, is mijns inziens een gemiste kans voor open doel.

Tijd voor een fiscale welstandscommissie

Belastingplichtigen van de Wet bronbelasting 2021 zijn in beginsel aan een inhoudingsplichtige gelieerde lichamen die zijn gevestigd in jurisdicties die voorkomen op de Nederlandse lijst van laagbelastende jurisdicties of op de EU-lijst van niet-coöperatieve jurisdicties. Anders dan bij rente en royalty’s ligt het bij dividenden niet voor de hand om aansluiting te zoeken bij de Nederlandse lijst voor laagbelastende jurisdicties. Dat ligt anders met betrekking tot jurisdicties die door de EU als non-coöperatief zijn aangemerkt. Wie een rechtvaardiging zoekt voor het feit dat Nederland in een aantal situaties aanvullend wil heffen over dividenden betaald door een Nederlandse inhoudingsplichtige aan een gelieerde groepsmaatschappij zoekt in de memorie van toelichting tevergeefs naar een dragende en systematische motivering. Dat is raar, want die motivering kan worden gevonden in het bestaande Nederlandse heffingssysteem, meer in het bijzonder in het Nederlandse aanmerkelijkbelangregime voor buitenlandse aandeelhouders in Nederlandse lichamen. Bij een rechtstreeks door een in het buitenland woonachtige natuurlijk persoon gehouden aanmerkelijk belang zijn zowel vervreemdingswinsten als dividenden belast tegen het tarief van 26,9% inkomstenbelasting. Bij een aanmerkelijk belang gehouden door een buitenlands lichaam kunnen zowel de vervreemdingswinsten als de dividenden worden belast tegen het tarief vennootschapsbelasting van maximaal 25%. Maar wil het zover komen, dan moet op grond van artikel 17, lid 3, onderdeel b, Wet VpB 1969 cumulatief aan twee testen worden voldaan: de oogmerktoets (het ontgaan van inkomstenbelasting bij een ander, hetgeen een blik vereist op de achterliggende natuurlijke personen) en de kunstmatigheidstoets. Als de aandeelhouder is gevestigd in een, op het terrein van gegevensuitwisseling niet-coöperatieve jurisdictie dan is het voor de Nederlandse belastingdienst moeilijk om te verifiëren of de stellingname van de aandeelhouder dat er geen sprake is van belastingplicht als is bedoeld in artikel 17, lid 3, onderdeel b, Wet VpB 1969 juist is. Vanuit dat perspectief ligt het voor de hand om een bronbelasting in te voeren met een tarief van 25% voor dividenden die worden uitgekeerd aan een gelieerde groepsvennootschap die is gevestigd in een jurisdictie die op de EU-lijst van niet-coöperatieve jurisdicties staat. En dan zou het ook voor de hand liggen om met een creatieve regeling te komen voor het effectief door Nederland kunnen realiseren van de heffing over vermogenswinsten behaald met de verkoop van aandelen in de Nederlandse vennootschap. In aanvulling op dit robuuste systeem zou nog gedacht kunnen worden aan de introductie van de mogelijkheid tot het leveren van tegenbewijs door de buitenlandse belastingplichtige. Omdat in de toelichting echter geen enkele verwijzing staat naar het bestaande aanmerkelijkbelangregime, moet de constatering zijn dat de wetgever de conditionele bronbelasting als een aparte maatregel ziet, los van het aanmerkelijkbelangregime van artikel 17, lid 3, onderdeel b, Wet VpB 1969 en los van de bestaande dividendbelasting. Maar dan blijft de niet beantwoorde vraag: waarom is niet gekeken naar de door Jan van de Streek aangedragen oplossingsrichting? Waarom wordt gekozen voor een wat rare constructie als aanbouw tegen de Wet DB 1965, terwijl dat relatief oude gebouw met wat simpele ingrepen kan worden aangepast om te voldoen aan de eisen van het moderne internationale fiscale klimaat? Het is mijns inziens tijd voor een fiscale welstandscommissie om legislatieve wildgroei tegen te gaan. Wellicht kan dat nog worden meegenomen bij de coalitieonderhandelingen.

De positie van ‘besmette’ verdragslanden

Op de huidige Nederlandse lijst van laagbelastende jurisdicties staan drie landen waarmee Nederland een volwaardig verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten: Bahrein, Barbados en de Verenigde Arabische Emiraten. Op de lijst van niet-coöperatieve jurisdicties van de EU staan twee Nederlandse verdragslanden, namelijk het reeds genoemde Barbados alsmede Panama. In de memorie van toelichting geeft de staatssecretaris aan dat in groepssituaties uitgekeerde dividenden naar deze landen per 1 januari 2024 onder de reikwijdte van de Wet bronbelasting 2021 zullen vallen. Nederland zal volgens hem dan ook het initiatief nemen om over deze bestaande verdragen te gaan heronderhandelen in het licht van de conditionele bronbelasting op dividenden. Daarbij is de Nederlandse insteek om de conditionele bronheffing op dividenden volledig te kunnen effectueren. Voor reële situaties zal echter, conform hetgeen is opgemerkt in de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2020, zogenoemd maatwerk worden geleverd waarbij er eisen kunnen worden gesteld aan de aard en de omvang van de activiteiten en de mate van onderworpenheid.3 Wanneer echter wordt gekeken naar de inhoud van de dividendartikelen in de bestaande verdragen met Bahrein, Barbados, Panama en de Verenigde Arabische Emiraten dan is het volgens mij niet zo moeilijk om te voorspellen wat de reactie van deze landen zal zijn op een Nederlands initiatief. Bahrein zal zeggen: ‘in het verdrag is in artikel 10, leden 9 tot en met 11 al voorzien in een regel voor de situatie dat de belasting over dividenden in Bahrein zou resulteren in een belastingdruk van minder dan 10%. Onder omstandigheden kan dan toch een beroep op het percentage van 0% uit het verdrag worden gedaan als uit een onderling overlegprocedure blijkt dat dat lichaam niet hoofdzakelijk is opgericht of wordt aangehouden in Bahrein om de voordelen van het verdrag te krijgen’. Bahrein zal dan ook naar mijn mening de Nederlandse verdragsonderhandelaars na het aanbieden van een kopje thee vriendelijk doch dringend verzoeken huiswaarts te keren. Het verdrag biedt immers al de mogelijkheid voor het maatwerk dat is toegezegd in de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2020. Barbados zal Nederland wijzen op de LOB-achtige bepaling in artikel 10, lid 3, van het verdrag en de onderlinge consultatiemogelijkheid van het vierde lid om verdragsvoordelen toe te kennen in situaties waar geen sprake is van verdragsmisbruik. Gelet op artikel 10, lid 3 en 4 van het tussen Nederland en Panama gesloten verdrag zal Panama zich mutatis mutandis geheel aansluiten bij de posities van Bahrein en Barbados. De Verenigde Arabische Emiraten zullen wijzen op de ‘principal purpose test’ neergelegd in artikel 10, lid 9, van het verdrag en zullen waarschijnlijk zeggen tegen de Nederlandse delegatie: ‘ons verdrag is “BEPS- en MLI-proof” dus vertel ons maar welke concrete situaties jullie komen bespreken, maar van aanpassen van het verdrag kan geen sprake zijn’.

Ik vraag mij af of degene die de memorie van toelichting heeft geschreven wel kennis heeft genomen van de inhoud van deze verdragen.

Diplomatiek en strategisch onhandig

De genoemde verdragslanden zouden hun bezwaren ook een filosofische onderbouwing kunnen geven met een verwijzing naar Friedrich Nietzsche. Die heeft ooit opgemerkt:

‘Recht ontstaat slechts waar verdragen bestaan; maar willen verdragen mogelijk zijn, dan moet er van een zeker machtsevenwicht sprake zijn.’

Volgens Nietzsche is rechtvaardigheid iets anders dan ‘ieder het zijne’.

‘Dat twee machten in hun verhouding tot elkaar de meedogenloze wil tot macht intomen en elkaar niet alleen als gelijke laten bestaan, maar ook als gelijke willen, dat is het begin van alle “goede wil” op aarde.’4

De getroffen verdragslanden zullen niet ten onrechte het standpunt in kunnen nemen dat Nederland de goede wil jegens verdragslanden schendt omdat Nederland eenzijdig inzet op ‘ieder het zijne’, in de volksmond ook wel bekend als het beginsel ‘Alles voor Bassie’. Bahrein en de Verenigde Arabische Emiraten zouden ook nog kunnen wijzen op de door Nederland toegepaste flexibiliteit als gevolg waarvan Saudi Arabië in 2019 plotseling van de lijst van laagbelastende jurisdicties verdween (NLF 2019/2260, met noot van Jorritsma). Ook zouden zij kunnen wijzen op hun ook voor de EU strategisch belangrijke positie in het Midden Oosten. Beide jurisdicties zijn in 2020 diplomatieke relaties aangegaan met Israël, een belangrijke zet om de invloed van Iran in de regio te dammen. Het door Nederland schofferen van Bahrein en de Verenigde Arabische Emiraten in het kader van de Nederlandse strijd tegen laagbelastende jurisdicties om het eigen slechte imago van doorstroomland op te poetsen, zou dan ook mijns inziens diplomatiek onhandig zijn. Misschien moet Vijlbrief even te rade gaan bij zijn partijgenoot Kaag, die een bewezen diplomatieke ‘track record’ in die regio heeft.

Afrondend

De conditionele bronbelasting op dividenden is een vreemde eend in het Nederlandse systeem van de heffing over dividenden in groepsrelaties. Het is mijns inziens beter om dit voorstel in te trekken en te vervangen door het voorstel van Van de Streek. Ik stel voor een groot uitzwaaifeest te organiseren op het Malieveld als het voorstel van staatssecretaris Vijlbrief inderdaad wordt ingetrokken en dat Marc Almond wordt uitgenodigd om op dat feest zijn evergreen ‘Say Hello, Wave Goodbye’ ten gehore te brengen. Op zijn gage behoeft in ieder geval geen bronbelasting 2021 te worden ingehouden.

X