Direct naar content gaan

Gerelateerde content

Samenvatting

X (bv; belanghebbende) heeft op 8 maart 2018 bezwaarschriften ingediend bij de Heffingsambtenaar van de gemeente Noordwijk. Die heeft bij uitspraken van 17 december 2018 het bezwaar ongegrond verklaard. Rechtbank Den Haag heeft het door X de tegen die uitspraken ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het daartegen ingestelde verzet ongegrond verklaard.

In de uitspraak op verzet heeft de Rechtbank de Heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en tot vergoeding van proceskosten.

Tegen dit oordeel heeft het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk cassatieberoep ingesteld en de Hoge Raad verklaart dit gegrond.

In een geval als dit, waarin het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, kan een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting alleen betrekking hebben op de procedure bij de Rechtbank (vgl. HR 2 december 2016, NLF 2016/0874, met noot van Van der Vegt). De Rechtbank had de Heffingsambtenaar dus niet mogen veroordelen tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en tot vergoeding van proceskosten.

Metadata

Rubriek(en)
Formeel belastingrecht
Belastingtijdvak
2018 en 2020
Instantie
HR
Datum instantie
4 februari 2022
Rolnummer
20/03024
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:42
Auteur(s)
mr. J. Berns
FT-advocaten
NLF-nummer
NLF 2022/0306
Aflevering
10 februari 2022
Judoregnummer
JCDI:NFB4819
bwbr0006358&artikel=1,bwbr0006358&artikel=1

Naar de bovenkant van de pagina