Direct naar content gaan

Samenvatting

X (belanghebbende) was sinds 1 oktober 2000 als ICT-manager in dienstbetrekking werkzaam bij bedrijf A. X heeft in 2005 de mogelijkheid gekregen om in het concern te participeren door certificaten te verwerven. De certificaten werden uitgegeven ter financiering van een ‘Profit Sharing Loan’ (hierna: PSL) die werd verstrekt aan E (bv) ten behoeve van de managementparticipatie. In 2011 is het concern verkocht met als gevolg een aflossing van de PSL en een uitkering op de certificaten. X heeft de opbrengst van circa € 1,5 miljoen in de aangifte IB/PVV 2011 aangegeven als resultaat uit overige werkzaamheden. In een herziene aangifte is het bedrag niet langer aangegeven. Wel heeft X in de aangifte een opmerking gemaakt over het bedrag. De Inspecteur heeft een navorderingsaanslag opgelegd waarbij een bedrag van € 1.552.915 als resultaat uit lucratief belang in aanmerking is genomen.

In geschil is of de navorderingsaanslag terecht is opgelegd.

Hof Den Haag heeft geoordeeld dat de Inspecteur niet over een nieuw feit beschikt om na te vorderen. Navordering op grond van kwade trouw is wel mogelijk. De vraag of zich een geval voordoet als bedoeld in artikel 16, lid 2, aanhef en onderdeel c, AWR behoeft geen beantwoording. X heeft een resultaat uit een lucratief belang als bedoeld in artikel 3.92b Wet IB 2001 genoten, aldus het Hof. De Inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat deelname in de PSL slechts voor de beperkte groep managers mogelijk was. X heeft het betrokken voordeel genoten als een beloning voor zijn verrichte werkzaamheden. Verder zijn de verworven participaties, zoals blijkt uit de PSL agreement, vorderingen als bedoeld in artikel 3.92b, lid 3, Wet IB 2001, waardoor zij tot de in de in dat artikellid afgebakende ‘lucratieve vorderingen’ behoren.

Volgens het Hof is aan alle eisen voor heffing voldaan; er is een duidelijke relatie met de werkzaamheden en het belang behoort tot de in artikel 3.92b Wet IB 2001 afgebakende lucratieve belangen.

Tegen dit oordeel heeft X cassatieberoep ingesteld, maar de Hoge Raad verklaart dit ongegrond.

Het Hof heeft de participaties van X in de PSL terecht als lucratieve vordering in de zin van artikel 3.92b Wet IB 2001 aangemerkt. Voorts heeft het Hof terecht geoordeeld dat de Inspecteur mocht navorderen op grond van kwade trouw.

Hieronder worden in twee noten achtereenvolgens de materiële aspecten van dit arrest besproken door Verbaarschot en de formele aspecten door Nent.

Inkomstenbelasting

Lucratief belang

Onder de noemer lucratief belang vallen onder andere aandelen, vorderingen en rechten die vergelijkbaar zijn met aandelen of vorderingen, waarbij de voordelen die de belastingplichtige hiermee behaalt een beloning vormen voor zijn werkzaamheden (artikel 3.92b, lid 1, onderdeel a, Wet IB 2001). Voor aandelen geldt daarnaast dat deze moeten voldoen aan de voorwaarden in het tweede lid van artikel 3.92b Wet IB 2001: de aandelen zijn achtergesteld bij andere soorten en het totaal aantal aandelen van deze soort bedraagt minder dan 10% van het totale geplaatste aandelenkapitaal. Voor vorderingen en rechten geldt dat het rendement respectievelijk het waardeverloop in enigszins belangrijke mate afhankelijk moet zijn van managementdoeleinden of aandeelhoudersdoeleinden. Met ‘in enigszins belangrijke mate’ heeft de wetgever ten minste 15% bedoeld. Als voorbeelden van managementdoeleinden of aandeelhoudersdoeleinden noemt de wet winst, omzet, kostenverminderingen, aantrekken van financieringsbronnen, het gereedmaken voor verkoop of overname van een onderneming of onderdelen daarvan en het aankopen of overnemen van ondernemingen of onderdelen daarvan.

Voorafgaand aan zijn oordeel geeft de Hoge Raad college over het lucratief belang en overweegt hij met een verwijzing naar de wetsgeschiedenis dat voor aanwezigheid van een lucratief belang vereist is dat het oogmerk van beloning aanwezig is op het moment van verkrijging van het betreffende vermogensrecht. Verder wijst de Hoge Raad erop dat het feit dat een vermogensrecht niet onder volledig zakelijke voorwaarden is verkregen, een omstandigheid is die kan wijzen op de aanwezigheid van een lucratief belang. Naar mijn mening een mooie overweging over een onderwerp waar nog niet zoveel over geprocedeerd is.

Metadata

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Formeel belastingrecht
Belastingtijdvak
2011
Instantie
HR
Datum instantie
30 november 2018
Rolnummer
17/05953
ECLI
ECLI:NL:HR:2018:2198
Auteur(s)
Joep Verbaarschot
Deloitte
Wendy Nent
BDO
NLF-nummer
NLF 2018/2662
Judoreg
NFB2058
bwbr0002320&artikel=16&lid=1,bwbr0011353&artikel=3.92b

Naar de bovenkant van de pagina