Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

De Wet DBA heeft niet de duidelijkheid en rust gebracht die ermee was beoogd waardoor te veel zzp’ers in onzekerheid zitten. Daarom is, behalve bij kwaadwillenden, de handhaving opgeschort tot 1 juli 2018.


Minister Wouter Koolmees van SZW heeft de Tweede Kamer op 9 februari 2018 een zogenoemde ‘Roadmap vervanging DBA’ toegezonden.https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-sociale-zaken-en-werkgelegenheid/nieuws/2018/02/09/opschorting-handhaving-wet-dba-verlengd-tot-1-januari-2020. Daarin staat veel, maar valt ook tussen de regels door te lezen dat het kabinet a. nog geen idee heeft welke kant het op moet gaan, b. een veel te ambitieus tijdpad schetst en c. dat er over een goed werkende regeling een grote verdeeldheid bestaat tussen de betrokken partijen. Volgens Felix Peppelenbosch zullen zzp’ers in ieder geval nog een lange tijd tussen hoop en vrees moeten leven. Het is bovendien nog maar de vraag of de nieuwe Wet DBA echt gaat werken. Bij de huidige Wet DBA waren de verwachtingen hoog gespannen. Toch ging het gierend mis.

Kamer wil snelle oplossing maar die is niet voorhanden

De Kamer heeft enerzijds het kabinet tot snelheid gemaand, specifiek ten aanzien van het tijdpad en de uitwerking van de maatregelen betreffende de vervanging van de Wet DBA.1 Anderzijds heeft de Kamer het kabinet opgeroepen om te kijken of er meer mogelijkheden zijn om bij evidente kwaadwillendheid te handhaven.2

Hoe gaat het kabinet nu uitvoering geven aan beide moties? En wanneer kan de opvolger van de Wet DBA worden verwacht?

Tijdpad te ambitieus

Tijdens de begrotingsbehandeling heeft Koolmees aangegeven dat hij, samen met zijn collega, staatssecretaris Menno Snel van Financiën, zo snel mogelijk helderheid wil geven over de wijze waarop het kabinet invulling zal geven aan de in het regeerakkoord voorziene maatregelen voor zzp’ers. Het streven is de specifieke maatregelen, bedoeld voor de onderkant en de bovenkant van de arbeidsmarkt, alsmede de opdrachtgeversverklaring per 1 januari 2020 in werking te laten treden. Hoewel dit nog ver weg lijkt, is dit een ambitieuze doelstelling voor dergelijke grote aanpassingen, die potentieel een grote impact hebben voor grote groepen werkenden (zowel zzp’ers als werknemers). Deze maatregelen vergen aanpassingen in het arbeidsrecht, het fiscale recht en het socialezekerheidsrecht met implicaties voor de uitvoering en handhaving door onder andere de Belastingdienst en het UWV.

Gezien deze complexiteit wil het kabinet maximale zorgvuldigheid betrachten bij de uitwerking. Bovendien wenst het kabinet dat de uitwerking van maatregelen geen tekentafelexercitie wordt, die aansluiting mist bij wat er leeft in de praktijk. Daarom worden veldpartijen, zoals zzp-organisaties, werkgevers- en werknemersorganisaties betrokken bij de uitwerking daarvan.

Daarnaast wil het kabinet, voorafgaand aan de indiening van een wetsvoorstel ook nog met de Kamer van gedachten wisselen over de contouren van de uitwerking van de maatregelen. Om die reden gaat Koolmees de Kamer voor het zomerreces een hoofdlijnenbrief sturen, waarin nader uiteen zal worden gezet hoe de verschillende maatregelen uit gaan werken. En hiermee wordt de bal weer teruggelegd bij de Kamer, die vermoedelijk ook niet op korte termijn de wijsheid in pacht heeft. En zo is procedureel alles weer rond en brandt niemand zijn handen. Koolmees verwacht dat de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel in de eerste helft van 2019 kan worden gestart, maar hij houdt hierbij wel een slag om de arm: ‘inwerkingtreding per 1 januari 2020 lijkt haalbaar’.

Na inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving zal nog maximaal een jaar een terughoudend handhavingsbeleid gelden waarin de Belastingdienst een coachende rol heeft en partijen helpt bij de toepassing van de nieuwe regelgeving. Maar dat ging bij de Wet DBA vanaf het begin af aan ook al helemaal mis. En bovendien zijn er in 2022 al weer nieuwe verkiezingen.

Partijen zijn verdeeld

Om te weten hoe de veldpartijen tegen nieuwe regelgeving aankijken is op 24 januari 2018 een kickoffbijeenkomst met een brede variëteit aan veldpartijen georganiseerd waar Koolmees en Snel hebben geluisterd naar wat voor hen belangrijk is. Een groot aantal zzp-organisaties, werkgevers- en werknemersorganisaties en brancheorganisaties was hierbij aanwezig. Centraal stonden hierbij de vragen hoe de veldpartijen aankijken tegen:

  • de uitwerking van de maatregelen;
  • de handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid van de maatregelen; en
  • de administratieve lasten.

Eén ding is duidelijk: uit de inbreng van de veldpartijen bleek opnieuw dat de visies op dit onderwerp divers zijn en een oplossing die iedereen tevreden stelt, is niet voorhanden.3 Aan het organiseren van een nieuwe bijeenkomst wordt gewerkt.

Wel strengere handhaving

Op dit moment is de handhaving van de Wet DBA opgeschort tot in ieder geval 1 juli 2018, met uitzondering van kwaadwillenden. Deze opschorting wordt verlengd tot in ieder geval 1 januari 2020. Er wordt nu gehandhaafd bij de ernstigste gevallen van kwaadwillenden. Dit zijn de kwaadwillenden die opereren in een context van opzet, fraude of zwendel, waarbij sprake is van listigheid, valsheid of samenspanning en situaties die leiden tot ernstige concurrentievervalsing, economische of maatschappelijke ontwrichting of waarin het risico aanwezig is van uitbuiting.

Het kabinet acht het wenselijk de handhaving niet langer alleen te richten op de ernstigste gevallen, maar ook op de andere kwaadwillenden. Vanaf 1 juli 2018 wordt daarom niet langer alleen bij de ernstigste gevallen van kwaadwillenden gehandhaafd, maar kan er ook bij andere kwaadwillenden worden gehandhaafd.

De andere kwaadwillenden, waarbij er vanaf 1 juli 2018 ook kan worden gehandhaafd, zijn de kwaadwillenden die opzettelijk een situatie van evidente schijnzelfstandigheid laten ontstaan of voortbestaan. Dit betekent dat de Belastingdienst kan handhaven, als de Belastingdienst de volgende drie criteria alle drie kan bewijzen:

  1. Er is sprake van een (fictieve) dienstbetrekking.
  2. Er is sprake van evidente schijnzelfstandigheid.
  3. Er is sprake van opzettelijke schijnzelfstandigheid.

In dergelijke gevallen wordt veelal een oneigenlijk voordeel behaald en/of het speelveld op een oneerlijke manier aangetast. Deze handhaving vindt plaats in het kader van de reguliere controles loonheffingen.

Bij de handhaving gedurende het handhavingsmoratorium blijft er dan ook een extra zware bewijslast voor de Belastingdienst bestaan, omdat de Belastingdienst zowel moet aantonen dat er sprake is van een (fictieve) dienstbetrekking, als dat er sprake is van opzettelijke en evidente schijnzelfstandigheid.

Conclusie: kabinet stelt de zaken te rooskleurig voor

Het bovenstaande geeft mijns inziens duidelijk aan dat het door Koolmees geschetste tijdpad eigenlijk gewoon te ambitieus is, gezien de complexe regelgeving en de diverse meningen over de gewenste oplossingsrichtingen. Bovendien mag de Kamer ook nog zijn zegje doen. En eigenlijk wordt thans dezelfde weg afgelegd als bij de totstandkoming van de huidige Wet DBA die faliekant is mislukt. En dan is het logisch dat ook in dit traject veel dingen mis zullen gaan. Het indienen van een wetsvoorstel met goed werkende maatregelen lijkt dan ook verder weg dan ooit. Ik heb in een eerdere opinie al voorspeld dat het Rutte III niet gaat lukken om een goede opvolger van de Wet DBA tot stand te brengen. Alle voortekenen wijzen erop. Doet hoop leven of wordt het leven tussen hoop en vrees voor de ruim 1 miljoen zzp’ers die ons land telt? Naar mijn idee is dit laatste het geval. Zo slecht was de VAR uiteindelijk nog niet.

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Auteur(s)
Felix Peppelenbosch
NLFiscaal
NLF-nummer
NLF Opinie 2018/7
Judoreg
NFB2161
Publicatiedatum
15 februari 2018

X