Direct naar content gaan
}

Samenvatting

Op 10 oktober 2022 is de consultatie gestart van een voorontwerp voor de Wet modernisering personenvennootschappen (Titel 7.13 BW). Deze wet voorziet in een nieuw wettelijk kader voor personenvennootschappen. Onderdeel van de consultatie maakt uit een voorstel van wet met aanpassingen van de belastingwetgeving naar aanleiding van de inhoud van het nieuwe recht inzake personenvennootschappen. In deze bijdrage staat Fred van Horzen stil bij de bepalingen die in de Wet IB 2001 en de Wet VpB 1969 worden voorgesteld en die de positie raken van in Nederland wonende natuurlijke personen en in Nederland gevestigde lichamen.


Zie ook het artikel van Gijs Fibbe in NLF-W 2023/3 waarin hij enkele internationale aspecten van het consultatiewetsvoorstel ‘Modernisering personenvennootschappen’ bespreekt.

NLF-W artikel

1. De voorgeschiedenis in vogelvlucht

De modernisering van de civielrechtelijke regels rond personenvennootschappen kent een lange voorgeschiedenis die teruggaat naar de vorige eeuw. Als we het terugkijken in de geschiedenis beperken tot de huidige eeuw, dan kan het verhaal een aanvang nemen met het in december 2002 bij de Tweede Kamer ingediende wetsvoorstel tot vaststelling van Titel 7.13 (vennootschap) van het Burgerlijk Wetboek. In de aanloop naar de indiening van dit wetsvoorstel werd in de fiscale literatuur al uitgebreid aandacht besteed aan de fiscale gevolgen van een nieuw personenrecht, met name omdat duidelijk was dat onder omstandigheden personenvennootschappen rechtspersoonlijkheid zouden krijgen. Het duurde nog tot 2007 voordat het wetsvoorstel met daarin de fiscale gevolgen van het nieuwe recht met betrekking tot personenvennootschappen werd ingediend. In de aanloop naar de indiening van dit wetsvoorstel had de minister van Justitie al aangegeven dat de insteek van het fiscale wetsvoorstel zou zijn dat de beoogde effecten van de civielrechtelijke regeling niet zouden worden doorkruist door fiscale regelgeving. De staatssecretaris van Financiën was in verband daarmee voornemens de fiscale transparantie voor personenvennootschappen voor toepassing van de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting te handhaven, ongeacht of zij wel of geen rechtspersoonlijkheid zouden verkrijgen. Voor de heffing van de overdrachtsbelasting zouden echter wel gevolgen worden verbonden aan het verkrijgen van rechtspersoonlijkheid door een personenvennootschap. Deze benadering kwam inderdaad terug in het in 2007 ingediende wetsvoorstel. Daarmee was duidelijk dat de nieuwe civielrechtelijke regelgeving niet werd aangegrepen om na te denken over de in de fiscale literatuur bepleite rechtsvormneutrale winstbelasting.

De handhaving van de fiscale transparantie van personenvennootschappen voor toepassing van de inkomsten- en de vennootschapsbelasting werd vormgegeven door het voorstel tot invoering van artikel 3.7 Wet IB 2001 dat betrekking had op de openbare vennootschap met rechtspersoonlijkheid. Het eerste lid van dit artikel bepaalde dat voor de toepassing van de Wet IB 2001 en de daarop berustende bepalingen bij een openbare vennootschap met rechtspersoonlijkheid en bij daarmee vergelijkbare buitenlandse rechtsvormen, de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven van de vennootschap zouden worden toegerekend aan de vennoten als bij een openbare vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid. Op grond van het tweede lid was deze toerekening van overeenkomstige toepassing bij een commanditaire vennootschap met rechtspersoonlijkheid. De toerekening zou echter niet gelden met betrekking tot een open commanditaire vennootschap voor zover het betreft de commanditaire vennoten.

Log hier in om verder te lezen

Metadata

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Vennootschapsbelasting
Auteur(s)
mr. F. van Horzen
Meijburg & Co
NLF-nummer
NLF-W 2023/2
Judoreg
NFB5560
Publicatiedatum
22 januari 2023
bwbr0002672&artikel=2&lid=12,bwbr0011353&artikel=3.5,bwbr0011353&artikel=3.7

Naar de bovenkant van de pagina