Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

Een man (hierna: senior) exploiteerde in maatschap met zijn echtgenote een melkvee- en varkensbedrijf. Zij hadden daarbij in eigendom een aantal percelen grond. In 1994 is hun zoon (hierna: junior) toegetreden tot de maatschap. In 1997 heeft junior de gehele onderneming voor eigen rekening en risico voortgezet. Bij notariële akte van 4 augustus 1997 zijn alle tot de maatschap behorende onroerende zaken door het echtpaar overgedragen aan junior met voorbehoud van een voorkeursrecht. Het voorkeursrecht hield in dat als junior de desbetreffende onroerende zaak zou willen vervreemden vóór 1 januari 2007, senior het recht had haar terug te kopen voor het bedrag waarvoor zij aan junior was overgedragen.

In 2003 is een bij een stichting werkzame agrarisch adviseur door junior benaderd voor advies over de voorgenomen verkoop aan een derde van de onroerende zaak waarop seniors voorkeursrecht rustte. De stichting erkent dat de adviseur toen ten onrechte heeft geantwoord dat als het voorkeursrecht zou worden uitgeoefend en de onroerende zaak vervolgens zou worden verkocht, de daarbij behaalde vermogenswinst niet aan IB-heffing zou zijn onderworpen en heeft nagelaten te wijzen op de mogelijkheid van aankoop van een stakingslijfrente uit de winst op de verkooptransactie.

Senior heeft zijn voorkeursrecht uitgeoefend en heeft de onroerende zaak vervolgens verkocht aan de derde. Uit een later aan senior opgelegde belastingaanslag bleek dat de daarbij behaalde vermogenswinst wel degelijk bij hem belast was in box 1.

Zowel senior als junior hebben de stichting aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het onjuist gebleken advies. De vordering is grotendeels toegewezen, maar afgewezen is de eis van een verklaring voor recht dat de stichting ook toerekenbaar is tekortgeschoten of onrechtmatig heeft gehandeld door er niet op te wijzen dat als senior zou afzien van zijn voorkeursrecht, junior de mogelijkheid zou hebben gehad om een onbelaste HIR te vormen voor de bij verkoop aan de derde te behalen vermogenswinst. Hof Den Bosch heeft dat deel van de eis van senior afgewezen omdat afzien van het voorkeursrecht een onzakelijke handeling zou en daarom op grond van het fiscale totale-winstconcept evenzeer zou leiden tot belastingheffing bij senior over de vermogenswinst: of senior nu wel of niet zijn voorkeursrecht zou uitoefenen, de IB-gevolgen zouden bij hem dezelfde zijn, aldus het Hof.

Senior heeft cassatieberoep ingesteld maar volgens A-G Wattel is dat ongegrond. Nu ‘s Hofs uitleg van het voor het geschil relevante en dwingende belastingrecht correct is, blijkt de man inderdaad geen belang te hebben bij zijn klachten. Hij heeft door het missen van de HIR-mogelijkheid bij junior geen schade geleden, nu die mogelijkheid bij junior uitsluitend aan de orde had kunnen komen in het afzien-scenario en dat scenario onontkoombaar tot een IB-schuld over de meerwaarde bij senior zou hebben geleid.

Rubriek(en)
Civiel recht
Belastingtijdvak
2003
Instantie
A-G
Datum instantie
26 november 2021
Rolnummer
20/03569
ECLI
ECLI:NL:PHR:2021:1130

X