Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving(3)
  • Lagere regelgeving(1)
  • Besluiten(7)
  • Jurisprudentie(77)
  • Commentaar NLFiscaal(15)
  • Literatuur(2)
  • Recent(12)

X-Beteiligungsgesellschaft mbH (hierna: X) heeft in het belastingjaar 2012 aan T (GmbH) bemiddelingsdiensten verleend in verband met de verkoop van vastgoed door deze laatste.


Zoals blijkt uit de op 7 november 2012 tussen deze vennootschappen gesloten vergoedingsovereenkomst, had X op het tijdstip waarop die overeenkomst werd gesloten reeds alle door haar verschuldigde prestaties verricht. Uit deze overeenkomst blijkt eveneens dat het honorarium voor deze bemiddelingsdiensten was vastgesteld op € 1 miljoen, te vermeerderen met btw, te betalen in vijf termijnen. Deze termijnen dienden jaarlijks te worden betaald vanaf 30 juni 2013. Op de vervaldag van elke termijn zou X de verschuldigde btw factureren en afdragen.


De Duitse belastingdienst heeft vastgesteld dat X de diensten ten behoeve van T in hun geheel heeft verricht in 2012 en dat X de btw over de betrokken handeling toen volledig had moeten afdragen.


De verwijzende rechter heeft in het kader van een geschil hierover twee prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ.


Het HvJ antwoordt op de eerste vraag dat artikel 64, lid 1, Btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat een eenmalige verrichting van een dienst die in termijnen wordt vergoed, niet binnen de werkingssfeer van die bepaling valt.


Op de tweede vraag antwoordt het HvJ dat artikel 90, lid 1, Btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat, ingeval een betaling in termijnen is overeengekomen, het uitblijven van betaling van een deel van de vergoeding op de vervaldag niet kan worden aangemerkt als niet-betaling van de prijs in de zin van die bepaling, en bijgevolg geen aanleiding kan geven tot een verlaging van de maatstaf van heffing.


Conform Conclusie A-G Szpunar (NLF 2021/1449, met noot van Terra).

Rubriek(en)
Omzetbelasting
Belastingtijdvak
2012-2017
Instantie
HvJ
Datum instantie
28 oktober 2021
Rolnummer
C‑324/20
ECLI
ECLI:EU:C:2021:880
Auteur(s)
Jeroen Bijl
EY
NLF-nummer
NLF 2021/2114
Aflevering
11 november 2021
Judoreg
NFB4631
celex32006l0112&artikel=63,celex32006l0112&artikel=64,celex32006l0112&artikel=90,bwbr0002629&artikel=29

X