Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(1)
  • Jurisprudentie(12)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent(3)

Fiscale eenheid X (belanghebbende) exploiteert een amusementshal waarin zich behendigheids- en kermisautomaten bevinden. De amusementshal heeft geen toegangspoort en er wordt bij binnenkomst geen entree geheven. Bezoekers komen na binnenkomst langs de terminal waar zij munten of een playcard kunnen kopen en tegoed kunnen opladen. Spelers kunnen ook prijzen winnen. De prijzen bestaan niet uit geldbedragen.


X heeft over de verkoop van de playcards, het daarop geladen tegoed en de verkoop van munten omzetbelasting voldaan naar het algemene tarief van 21%.


In hoger beroep is in geschil of het verlaagde omzetbelastingtarief toepassing vindt op de diensten van X.


De relevante feiten in de onderhavige procedure verschillen niet van de feiten in de procedure waarin de Hoge Raad op 26 maart 2021 (19/01595, ECLI:NL:HR:2021:453, NLF 2021/0733, met noot van Sanders jr.) uitspraak heeft gedaan. Hof Den Haag ziet in hetgeen X heeft aangevoerd geen aanleiding om anders te oordelen dan de Hoge Raad heeft gedaan. Op zijn eigen merites beschouwd, valt de dienst van X niet onder tabel I, post b.15, Wet OB 1968. X heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat in de onderhavige tijdvakken tegen betaling toegang kon worden verkregen tot de amusementshal, wat hier verder van zij.


Het verlaagde tarief mist toepassing, X heeft terecht omzetbelasting voldaan naar het algemene tarief.

Rubriek(en)
Omzetbelasting
Belastingtijdvak
4e kwartaal 2018, 1e kwartaal 2019
Instantie
Hof Den Haag
Datum instantie
21 oktober 2021
Rolnummer
21/00157;21/00158
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2021:2135
NLF-nummer
NLF 2021/2194
Aflevering
18 november 2021
bwbr0002629&artikel=9&lid=1

X