Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis(5)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(3)
  • Jurisprudentie(358)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur(1)
  • Recent(11)
  • Annotatie wetsgeschiedenis NLFiscaal(3)

In deze BPM-zaak heeft Hof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld dat X (bv; belanghebbende) ter zake van een ingevoerde auto een te hoog bedrag aan schade in aanmerking heeft genomen. Dit te hoge bedrag is toereikend om te compenseren met het bedrag aan BPM dat X terugbetaald wil hebben, omdat na de vermindering van BPM wegens een leeftijdskorting en bij toepassing van het tarief van 2013 zij meer BPM blijft verschuldigd dan het door Rechtbank Gelderland vastgestelde bedrag.

Het Hof heeft in dit verband de stelling van X verworpen dat uit het arrest Nicula van het HvJ (15 oktober 2014, C-331/13, ECLI:EU:C:2014:2285), voortvloeit dat de interne compensatie zoals de Inspecteur voor ogen staat, in strijd is met het Unierecht.

Het Hof heeft het verzoek van X om toekenning van een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen. Volgens het Hof is de coronapandemie een uitzonderlijke en onvoorzienbare situatie die verlenging van de redelijke termijn van twee jaar voor berechting in hoger beroep met vier maanden rechtvaardigt.

X betoogt in cassatie tevergeefs dat het Unierecht in de weg staat aan toepassing van zogenoemde interne compensatie. Het arrest Nicula leidt niet tot een andere slotsom, aldus de Hoge Raad. Een (op één lijn te stellen) situatie als in dat arrest doet zich in dit geval niet voor.

X komt wel terecht op tegen het oordeel van het Hof over verlenging van de redelijke termijn.

De uitbraak van het coronavirus in 2020 mag niet in algemene zin worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die een verlenging rechtvaardigt van de redelijke termijn. Dat is alleen het geval indien partijen waren uitgenodigd voor een onderzoek ter zitting in de periode waarin de gerechtsgebouwen in verband met de uitbraak van dit virus waren gesloten (de periode 17 maart 2020 tot en met 10 mei 2020) en het onderzoek ter zitting daarom opnieuw moest worden gepland. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. Het oordeel van het Hof getuigt daarom van een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad doet de zaak op dit punt af. X heeft recht op een immateriële schadevergoeding van € 500.

X heeft voorts recht op een proceskostenvergoeding.

Tot 1 juli 2021 was de forfaitaire proceskostenvergoeding voor alle belastingprocedures gelijk. Per die datum is de proceskostenvergoeding verhoogd (€ 759 per punt in plaats van € 541 per punt), behalve voor bepaalde procedures over de BPM en Wet WOZ. De Hoge Raad oordeelt dat deze bijzondere regel voor procedures over de BPM en de Wet WOZ in strijd is met het grondwettelijke discriminatieverbod. Voor het sinds 1 juli 2021 gemaakte verschil in behandeling bestaat geen objectieve en redelijke rechtvaardiging. Daarom moet de per 1 juli 2021 ingevoerde verhoging van de proceskostenvergoeding ook gelden voor de onderhavige BPM-procedure.

Rubriek(en)
Formeel belastingrecht
Autobelastingen
Belastingtijdvak
2017
Instantie
HR
Datum instantie
27 mei 2022
Rolnummer
21/02977
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:752
Auteur(s)
Michiel Hennevelt
Hof Arnhem-Leeuwarden
NLF-nummer
NLF 2022/1096
Aflevering
9 juni 2022
Judoreg
NFB5055
bwbr0002320&artikel=29,bwbr0002320&artikel=29,bwbr0005537&artikel=8:75,bwbr0005537&artikel=8:75,bwbr0005806&artikel=10,bwbr0005806&artikel=10,bwbr0005806&artikel=10b,bwbr0005806&artikel=10b,bwbr0006358&artikel=2,bwbr0006358&artikel=2

X