Direct naar content gaan

Samenvatting

X (belanghebbende) is op 1 november 2015 naar Costa Rica geëmigreerd. Hij heeft tot en met 31 oktober 2015 € 64.046 aan loon genoten van A. Vanaf 1 november 2015 heeft X € 17.362 aan loon genoten van B. De werkzaamheden in laatstgenoemde dienstbetrekking zijn in Costa Rica verricht.

De Inspecteur meent dat in 2015 ook het loon uit Costa Rica onderdeel uitmaakte van het arbeidsinkomen bij de berekening van de arbeidskorting en heeft op die basis de aanslag IB/PVV 2015 opgelegd. Rechtbank Gelderland deelde de andersluidende mening van X en heeft de aanslag verminderd. Hof Arnhem-Leeuwarden bevestigde deze uitspraak waarop de staatssecretaris cassatieberoep heeft ingesteld.

Volgens A-G Niessen is het cassatieberoep ongegrond. De A-G betoogt op wetssystematische gronden dat het ervoor moet worden gehouden dat de wettelijke term ‘arbeidsinkomen’ voor de binnenlandse belastingplicht ziet op het ‘wereldarbeidsinkomen’ en voor de buitenlandse belastingplicht op het in Nederland verkregen arbeidsinkomen zoals geregeld in hoofdstuk 7 Wet IB 2001. Het inkomen uit dienstbetrekking dat X heeft genoten in Costa Rica in de periode na emigratie – waarover Nederland niet heft – maakt daarom geen onderdeel uit van het arbeidsinkomen in de zin van artikel 8.1, lid 1, onderdeel e, Wet IB 2001.

Metadata

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Belastingtijdvak
2015
Instantie
A-G
Datum instantie
25 januari 2021
Rolnummer
20/00799
ECLI
ECLI:NL:PHR:2021:65
Auteur(s)
mr. E. Thomas
Tilburg University/Zelfstandig belastingadviseur
NLF-nummer
NLF 2021/0428
Aflevering
25 februari 2021
Judoregnummer
JCDI:NFB4149
bwbr0001840&artikel=104,bwbr0011353&artikel=2.7,bwbr0011353&artikel=8.1&lid=1,bwbr0011353&artikel=8.11&lid=1,bwbr0011353&artikel=8.11&lid=2,bwbr0011353&artikel=8.14a&lid=1,bwbr0012031&artikel=4,bwbr0001840&artikel=104,bwbr0011353&artikel=2.7,bwbr0011353&artikel=8.1&lid=1,bwbr0011353&artikel=8.11&lid=1,bwbr0012031&artikel=4

Naar de bovenkant van de pagina