Direct naar content gaan

Samenvatting

In de onderhavige zaak heeft een Letse vereniging zonder winstoogmerk (hierna: X), die naar nationaal recht geen winst mag maken, opleidingen georganiseerd of uitgevoerd die met subsidies zijn medegefinancierd. Aangezien X als organisator van de projecten niet over opleiders beschikte, heeft zij ondernemingen van derden ingeschakeld. Zij heeft de vergoeding van de personen die de opleiding volgen als betaling voor een belastbare dienst behandeld, de verschuldigde belasting afgedragen en de voorbelasting over de facturen van de derden in aftrek gebracht. De Letse belastingdienst weigert het recht op de aftrek van voorbelasting omdat geen sprake is van een economische activiteit.

De vraag is of X gezien kan worden als ‘belastingplichtige’ die een economische activiteit verricht met het beheren van de uitvoering van de projecten. De Administratīvā apgabaltiesa (bestuursrechter in tweede aanleg, Letland) heeft in dit kader prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ.

Het HvJ verklaart het volgende voor recht:

1. Artikel 2, lid 1, onder c, Btw-richtlijn moet aldus worden uitgelegd dat door een vereniging zonder winstoogmerk gefactureerde opleidingen die in essentie aan derden zijn onderaanbesteed en waarvoor is geprofiteerd van subsidies afkomstig uit Europese fondsen die tot 70% van het totaalbedrag van deze prestaties kunnen bedragen, diensten vormen die onder bezwarende titel zijn verricht, en dat artikel 28 van deze richtlijn daarbij niet van toepassing is indien er geen uitdrukkelijke lastgevingsovereenkomst is gesloten op grond waarvan kan worden vastgesteld dat diensten door een belastingplichtige in eigen naam en voor rekening van een ander zijn verricht.

2. Artikel 73 Btw-richtlijn moet aldus worden uitgelegd dat de subsidies die een Europees fonds voor een concrete dienst aan de aanbieder van die dienst verstrekt overeenkomstig die bepaling, als een betaling ontvangen van een derde, binnen de maatstaf van heffing vallen.

3. Artikel 9, lid 1, Btw-richtlijn moet aldus worden uitgelegd dat de hoedanigheid van vereniging zonder winstoogmerk er niet aan in de weg staat dat een entiteit, na een analyse waarbij rekening wordt gehouden met alle omstandigheden van haar activiteit en met name met het feit dat deze activiteit vergelijkbaar is met de typische gedraging van een marktdeelnemer uit dezelfde sector, kan worden beschouwd als een belastingplichtige die een economische activiteit in de zin van die bepaling uitoefent.

Metadata

Rubriek(en)
Omzetbelasting
Belastingtijdvak
2016
Instantie
HvJ
Datum instantie
4 juli 2024
Rolnummer
C-87/23
ECLI
ECLI:EU:C:2024:570
celex32006l0112&artikel=2,celex32006l0112&artikel=73,celex32006l0112&artikel=9

Naar de bovenkant van de pagina