Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis(5)
  • Internationale regelgeving(1)
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(4)
  • Jurisprudentie(718)
  • Commentaar NLFiscaal(2)
  • Literatuur(26)
  • Recent(53)
  • Annotatie wetsgeschiedenis NLFiscaal(1)

X (belanghebbende) was in 2008 betrokken bij een Panamese Foundation. Hij heeft geen antwoord gegeven op vraag 37 in het aangiftebiljet IB/PVV, te weten of hij betrokken was bij een trust of ander doelvermogen (de zogenoemde ‘trustvraag’). Voorts heeft X van een dochtervennootschap van de Foundation (E Holding Ltd) € 5.200 als borgstellingsprovisie ontvangen voor een lening. Dit bedrag heeft hij niet aangegeven. De Inspecteur stelt dat wegens het niet invullen van de ‘trustvraag’ de vereiste aangifte niet is gedaan. Hij heeft het bedrag van € 5.200 voorts belast als resultaat uit overige werkzaamheid.

Hof Den Haag heeft geoordeeld dat X vraag 37 duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moest beantwoorden. Aangezien X niet aan deze verplichting heeft voldaan, heeft hij niet de vereiste aangifte gedaan. Het Hof heeft daaraan de gevolgtrekking verbonden dat de omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing is.

X heeft tegen dit oordeel cassatieberoep ingesteld, maar de Hoge Raad verklaart dat ongegrond.

Het Hof heeft zijn oordeel dat en waarom X in 2008 op een van de door vraag 37 bedoelde manieren was betrokken bij een trust of doelvermogen, toereikend gemotiveerd. Voortbouwend op dat oordeel heeft het Hof terecht geoordeeld dat X vraag 37 niet onbeantwoord kon laten op grond van zijn standpunt dat de twee uitkeringen, die verband houden met zijn betrokkenheid bij de groep waartoe de Foundation en E Holding Ltd behoren, niet in Nederland belastbaar waren. Het Hof heeft zonder schending van het recht tot het oordeel kunnen komen dat X voor het jaar 2008 niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Het Hof heeft daaraan ook terecht de gevolgtrekking verbonden dat het hoger beroep van X ongegrond moet worden verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Dat hoger beroep betrof namelijk uitsluitend de belastbaarheid van de twee uitkeringen, en dat zijn inkomsten die verband kunnen houden met de betrokkenheid van X bij de in vraag 37 bedoelde entiteit.

Conform eindconclusie A-G Niessen (NLF 2021/0368, met noot van Hennevelt).

Rubriek(en)
Formeel belastingrecht
Inkomstenbelasting
Belastingtijdvak
2008
Instantie
HR
Datum instantie
27 mei 2022
Rolnummer
20/01587
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:767
Auteur(s)
Iris de Roos
Van Bavel advocaten
NLF-nummer
NLF 2022/1199
Aflevering
23 juni 2022
Judoreg
NFB5084
bwbr0002320&artikel=7,bwbr0002320&artikel=7,bwbr0002320&artikel=8,bwbr0002320&artikel=8,bwbr0002320&artikel=16,bwbr0002320&artikel=16,bwbr0002320&artikel=25&lid=3,bwbr0002320&artikel=25&lid=3,bwbr0002320&artikel=47,bwbr0002320&artikel=47

X