Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

Tijdens het debat over de dividendbelasting en Shell op 26 juni 2018 is de vraag aan de orde geweest of alle rulings binnen de wet, het beleid en de regelgeving worden afgegeven en waarom het vooraf geven van zekerheid zo belangrijk is. Volgens staatssecretaris Snel van Financiën was dit de kern van het debat. Hij zei dat de Belastingdienst geen cadeautjes geeft.

Rulings worden alleen afgegeven binnen de wet, het beleid en de jurisprudentie

Snel gaf tijdens het debat aan dat hij, als staatssecretaris, er het volste vertrouwen in heeft dat alle rulings altijd worden afgegeven binnen de wet, het beleid en de jurisprudentie. Het is namelijk bij wet gegeven aan de Inspecteur om een aanslag op te leggen. Als het gaat om een ruling of een vaststellingsovereenkomst is er dus geen enkel verschil tussen aan de ene kant de belastinguitkomst als de Inspecteur van tevoren mededeelt wat de fiscale behandeling is als een feitencomplex is zoals het is, en aan de andere kant de belastinguitkomst als de Inspecteur dat achteraf zou doen.

‘Er is dus altijd eenzelfde fiscale uitkomst van een feitencomplex, of dat nou vooraf wordt toegezegd of achteraf wordt medegedeeld. Dat kan ik niet vaak genoeg herhalen, omdat keer op keer het beeld lijkt te ontstaan dat het afgeven van een vaststellingsovereenkomst een uitkomst van een onderhandelingsproces is. Dat beeld is foutief en dat wil ik hier van het begin af aan rechtzetten.’

Volgens Snel zijn rulings niet alleen goed voor de belastingplichtigen, maar ook voor de Belastingdienst. Ze zijn belangrijk voor belastingplichtigen – dat kunnen mensen zijn, dat kunnen bedrijven zijn – omdat ze zekerheid geven, en zekerheid vooraf over de fiscale behandeling is voor heel veel investeerders en bedrijven belangrijk. Rulings zijn ook goed voor de Belastingdienst, omdat de Belastingdienst dan in minder geschillen terechtkomt.

‘Door vooraf af te spreken hoe wet- en regelgeving zijn, heb je daar achteraf minder ruzie over. Om die reden dragen rulings en vaststellingsovereenkomsten dan ook bij aan een gunstig vestigingsklimaat.’ Geen politieke sturing bij het afgeven van rulings

De Kamer wilde ook weten of er geen politieke inmenging is bij het afgeven van rulings en of er geen politieke sturing is. Volgens Snel is het antwoord daarop heel helder: er is geen politieke inmenging in het vaststellen van een vaststellingsovereenkomst. De Inspecteur is verantwoordelijk, als enige, voor het opleggen van een aanslag en dus ook voor het vaststellen van een vaststellingsovereenkomst aan de voorkant. Hiermee is dan ook gegarandeerd dat de toepassing in alle gevallen gelijk is en er geen verschil kan worden gemaakt tussen de ene en de andere aanbieder van eenzelfde feitencomplex, gaf Snel aan.

De Kamer wilde voorts weten of er in sommige gevallen dan bijvoorbeeld sprake is van illegale staatssteun en of deze dan kan worden teruggevorderd. Sommigen in de Kamer noemden het een cadeautje. Volgens Snel is het antwoord op deze vragen eigenlijk heel duidelijk: zolang rulings worden afgegeven binnen wet- en regelgeving, bestaand beleid en bestaande jurisprudentie, kan er geen sprake zijn van belastingkortingen omdat er wordt gehandeld volgens de wet, en dus kan er ook geen sprake zijn van staatssteun. Volgens Snel is het belangrijk die punten keer op keer te erkennen. Zolang de Inspecteur handelt binnen wet- en regelgeving en de wet volgt bij de bepaling van de belastingaanslag, is er dus geen cadeautje te geven, onafhankelijk van de specifieke situatie waar tijdens het debat veel over gesproken is.

Het Tweede Kamerlid Pieter Omtzigt (CDA) vroeg tijdens het debat of het in algemene zin mogelijk is om een ruling te vragen aan de Belastingdienst, bijvoorbeeld over een specifieke casus zoals het bestaan van een dividend access mechanism. Snel heeft deze vraag bevestigend beantwoord. Iedereen met hetzelfde feitencomplex kan bij de Belastingdienst vragen wat de fiscale uitkomst van dat feitencomplex is, dus ook als het gaat om een dividend access mechanism. De Belastingdienst past dan de wet toe en de fiscale gevolgen zijn dan voor de aanvrager. Ook daarvoor geldt volgens Snel dat er geen onderscheid is in wie het vraagt. Het gaat om het feitencomplex dat de Inspecteur bekijkt. Maar mocht de wet nog onduidelijk zijn en mochten er nog rechtsvragen zijn die beantwoord moeten worden door de Belastingdienst – dat kan ook gebeuren – dan worden de uitkomsten daarvan, op het moment dat dat helder is, gepubliceerd in beleidsbesluiten. Door de publicatie van beleidsbesluiten is het beleid kenbaar geworden voor alle andere belastingplichtigen die eenzelfde vraag zouden hebben.

Over specifieke rulings zwijgt Snel

Op de vraag van Marianne Thieme (PvdD) of Snel de Kamer kan verzekeren dat de ruling met Shell geheel binnen de wet- en regelgeving is afgesloten, antwoordde Snel als volgt:

‘Er is een heel duidelijk patroon in ons antwoord. Het antwoord is: als u vraagt naar een specifieke vaststellingsovereenkomst met een individueel bedrijf, zal ik daar niets over zeggen. In z’n algemeenheid zeg ik wel dat ik er het volste vertrouwen in heb dat alle rulings/vaststellingsovereenkomsten die gemaakt worden binnen de wet- en regelgeving zijn. Daarmee heeft u volgens mij een antwoord op uw vraag.’

Volgens Thieme kan de Kamer op deze wijze niet haar controlerende taak uitoefenen. Thieme:

‘Sterker nog, ik hoor de staatssecretaris hier alleen maar zeggen dat hij er zelf het volste vertrouwen in heeft dat het wel goed gekomen is met die ruling met Shell. Zo kunnen wij toch niet de controlerende taak uitoefenen? Zo kan de staatssecretaris zijn politieke verantwoordelijkheid toch ook niet nemen?’

Snel heeft hierop geantwoord dat hij zich er verantwoordelijk voor voelt dat de Inspecteur zich houdt aan wet- en regelgeving op het moment dat hij een vaststellingsovereenkomst sluit of een aanslag oplegt. Hij voelt ook wel de verantwoordelijkheid voor de maatschappelijke onrust die al dan niet ontstaat over een specifieke deal en dat hij zoekt naar een balans tussen artikel 67 en 68 AWR, maar dat hij niet verder kan gaan dan dat.

Op de vraag hoe een belastinginspecteur het in een feitencomplex weegt als een bedrijf bij het aanvragen van een ruling overweegt om zijn hoofkantoor in Nederland of juist buiten Nederland te plaatsen, gaf Snel het volgende antwoord:

‘Ik ben geen belastinginspecteur, maar ik denk dat het antwoord daarop “niet” zou zijn. Een belastinginspecteur krijgt een feitencomplex aangeleverd. Vervolgens zegt hij of het wel of niet binnen bestaande regelgeving is. Hij zegt ook: als het binnen bestaande regelgeving is, is dit de fiscale uitkomst. Dat is het enige wat een Inspecteur kan doen en mag doen. Hij zal nooit moeten “second-guessen” – om maar slecht Nederlands te gebruiken – naar een reden of oorzaak. Maar hij zal wel gewoon een aanslag kunnen opleggen en een vaststellingsovereenkomst kunnen aangaan.’ Vastleggen looptijd van rulings

De Kamer vroeg ook nog naar de looptijd van rulings. Snel gaf aan dat er twee verschillende soorten rulings zijn. Er zijn rulings die worden afgegeven door het APA/ATR-team en er zijn rulings die worden afgegeven buiten dit team om. Rulings die worden afgegeven door het APA/ATR-team kennen altijd een APA- en een ATR-besluit en hebben een vaste looptijd van in principe vier tot vijf jaar. Maar dat betekent volgens Snel niet dat per definitie alle rulings een vaste looptijd hebben. Immers, er kunnen ook rulings buiten het APA/ATR-team worden afgegeven.

Snel:

‘Het zou kunnen zijn dat mevrouw Marijnissen dan zegt: Voorzitter, heeft meneer Snel dan niet het Besluit fiscaal bestuursrecht gelezen? Dat heb ik natuurlijk wel gelezen. Daarin staat namelijk dat in alle rulings, onafhankelijk of ze daarin gegeven moeten zijn, een periode wordt opgenomen waarvoor de ruling geldt. Maar deze periode hoeft niet altijd in jaren te worden uitgedrukt. In zijn algemeenheid geldt namelijk, bijvoorbeeld als het een eenmalige transactie als een structuurwijziging betreft, dat het kan voorkomen dat er geen vaste looptijd is opgenomen in de ruling. Die beperking zit ’m dan in, en dat is belangrijk om te beseffen, de wijzing van de wet of het beleid of in de wijziging van de feiten en omstandigheden die zich kunnen voordoen. Op dat moment vervalt de ruling.’

Wel gaf Snel aan dat hij in de antwoorden op de Kamervragen van Tweede Kamerlid Renske Leijten (SP) heeft aangegeven dat hij het een goede suggestie vindt om voor alle vaststellingsovereenkomsten een maximale looptijd in jaren op te nemen en om dat vervolgens vast te leggen in het Besluit fiscaal bestuursrecht.

Ten slotte

Het laatste woord over dit hoofdpijndossier van minister-president Rutte is uiteraard nog niet gezegd. De oppositiepartijen zullen (m.i. terecht) elke mogelijkheid benutten om het debat weer op te pakken. Dat dit Rutte niet goed uit komt bleek tijdens het vragenuurtje in de Tweede Kamer op dinsdag 19 juni j.l.. De oppositie wilde Rutte aan de tand voelen over het inmiddels bij iedereen bekende artikel in Trouw van 16 juni j.l.. Daarin werd aangegeven dat het volgens hoogleraar belastingrecht Jan van de Streek van de Universiteit van Amsterdam zeer waarschijnlijk is dat de Belastingdienst nooit had mogen instemmen met de ‘Shell-deal’. Rutte liet zich in eerste instantie vertegenwoordigen door staatssecretaris Menno Snel van Financiën en bleef zelf in het torentje zitten. Daar nam de Kamer terecht geen genoegen mee. De term ‘minachting van het Parlement’ is toen terecht aan de orde geweest.

Rubriek(en)
Dividendbelasting
Auteur(s)
Felix Peppelenbosch
NLFiscaal
NLF-nummer
NLF Opinie 2018/30
Judoreg
NFB2184
Publicatiedatum
5 juli 2018

X