Direct naar content gaan

Gerelateerde content

Samenvatting

X (belanghebbende) exploiteert een attractiepark. Op het terrein van X bevindt zich een parkeerterrein voor auto’s en bussen en een fietsenstalling.

In geschil is welk omzetbelastingtarief van toepassing is op de parkeergelden.

Tussen partijen is niet in geschil dat het verlenen van toegang tot het park is belast met 6% omzetbelasting. Volgens X delen de parkeergelden in dit 6%-tarief.

Anders dan Rechtbank Zeeland-West-Brabant geeft Hof Den Bosch X gelijk.

Volgens het Hof is er niemand die in de betreffende omgeving aanleiding vindt om op het parkeerterrein te parkeren zonder het attractiepark te bezoeken. De enige reden waarom het parkeerterrein van X wordt gebruikt, is om een bezoek te kunnen brengen aan het attractiepark en dat bezoek is ook de enige reden waarom bezoekers naar deze locatie komen. Parkeren is volgens het Hof in dit geval geen doel op zich, maar alleen een middel om van de hoofdprestatie optimaal gebruik te kunnen maken. Er is in zoverre sprake van een ander geval dan in de situaties die aan de orde waren in de arresten van 10 maart 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AV4043), 17 augustus 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1318, NLF 2018/1905, met noot van Sanders jr.) en 4 oktober 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1795).

Hieraan doet niet af dat door X een afzonderlijke vergoeding voor de nevenprestatie wordt berekend.

Nu het parkeren van hun auto voor de klanten van X uitsluitend wordt gekoppeld aan de toegang tot het attractiepark, is het bieden van parkeergelegenheid tegen betaling een bijkomende prestatie bij de hoofdprestatie (het verlenen van toegang tot het attractiepark), zodat het verlaagde tarief van toepassing is.

Metadata

Rubriek(en)
Omzetbelasting
Belastingtijdvak
oktober 2015
Instantie
Hof Den Bosch
Datum instantie
25 april 2019
Rolnummer
18/00102
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2019:1581
NLF-nummer
NLF 2019/1568
Aflevering
11 juli 2019
bwbr0002629

Naar de bovenkant van de pagina