Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(6)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(21)
  • Jurisprudentie(201)
  • Commentaar NLFiscaal(47)
  • Literatuur(32)
  • Recent(19)
  • Annotatie wetsgeschiedenis NLFiscaal(4)

Vermogen dat een natuurlijke persoon inbrengt in een stichting (of vereniging) die een particulier doel dient, kan onder omstandigheden worden aangemerkt als een afgezonderd particulier vermogen (APV). Het APV-regime heeft inmiddels zijn eerste lustrum bereikt, maar volgens Arianne de Leeuw valt er nog weinig te vieren.


 


Reinier Kooiman heeft een referentie-artikel ‘Grenzen aan het APV-regime’ op deze bijdrage geschreven in NLF-W 2021/9.

1. Inleiding

Per 1 januari 2010 is de APV-regeling ingevoerd, als reactie van de wetgever op in onder meer trusts ingebrachte ‘zwevende vermogens’. Vermogen dat in bijvoorbeeld een discretionary trust werd ingebracht had het vermogen van de inbrenger verlaten, maar kon gezien het discretionaire karakter van de trust ook (nog) niet aan een of meer van de begunstigden worden toegerekend. Behoudens in die gevallen waarin de Belastingdienst kon aantonen dat iemand, doorgaans ofwel de inbrenger, ofwel een begunstigde, kon beschikken over het trustvermogen als ware het zijn eigen vermogen, kon dit vermogen gedurende langere tijd buiten de heffing van Nederlandse inkomstenbelasting blijven.1 De inbreng zelf was weliswaar in beginsel een belastbare schenking,2 maar daadwerkelijke heffing kon vermeden worden indien de inbreng plaatsvond door iemand die niet woonachtig was in Nederland en ten aanzien van wie de woonplaatsfictie van artikel 3 SW 1956 niet van toepassing was. Een uitkering aan de begunstigde was ten slotte, gezien de vestiging van de trust buiten Nederland, niet alhier belast.3

De APV-regeling beoogt om dergelijke situaties toch in de belastingheffing te betrekken. Het uitgangspunt van de APV-regeling is daarbij toerekening van het vermogen aan een natuurlijke persoon, allereerst degene die het vermogen heeft ingebracht in het APV. Deze toerekening opent de weg voor de heffing van zowel inkomstenbelasting als schenk- en erfbelasting en adresseert daarmee het probleem van zwevend vermogen. Vanuit het perspectief dat het onwenselijk is dat vermogen langdurig buiten de heffing wordt gehouden, zeker indien het vermoeden bestaat dat de oorspronkelijke rechthebbende nog steeds zijn invloed laat gelden, is dit begrijpelijk. Dit perspectief gaat er evenwel van uit dat de doorslaggevende reden voor het toepassen van een als APV kwalificerende entiteit het ontgaan van belastingheffing is. Er kunnen evenwel ook legitieme niet-fiscale redenen zijn voor het willen gebruiken van een APV.4

bwbr0002515&artikel=1,bwbr0002515&artikel=10,bwbr0002672&artikel=4,bwbr0011353&artikel=2.14a,bwbr0011353&artikel=2.17,bwbr0011353&artikel=9.2

X