Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving(2)
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(4)
  • Jurisprudentie(5)
  • Commentaar NLFiscaal(12)
  • Literatuur(13)
  • Recent(3)
  • Annotatie wetsgeschiedenis NLFiscaal(1)

Kan de primair Unierechtelijke misbruikbestrijdingsverplichting een mogelijk onvolledige implementatie van ATAD2 herstellen? Ciska Wisman bespreekt of Nederland (ook) hybride mismatches tussen een lichaam en een gelieerd natuurlijk persoon moet adresseren. Het verbod op omgekeerde rechtstreekse werking en een contra-legem-uitleg, lijken daaraan niet in de weg te staan.


Deze bijdrage is een referentie-artikel op ‘De natuurlijk persoon in de context van de Nederlandse antihybridemismatchmaatregelen’ van Lex van Heijningen in NLF-W 2021/32.
1. Inleiding

In NLF-W 2021/32 bespreekt Lex van Heijningen de rol van de natuurlijk persoon in de context van de antimismatchbepalingen van artikel 12aa e.v. Wet VpB 1969.1 Hij concludeert dat Nederland ATAD op dat punt niet goed heeft geïmplementeerd; er is sprake van een lacune.2 De nationale bepalingen beperken zich tot hybride mismatches tussen de vennootschapsbelastingplichtige en gelieerde lichamen,3 terwijl de letterlijke tekst van ATAD ook hybride mismatches tussen vennootschapsbelastingplichtigen en gelieerde natuurlijke personen adresseert.4

De reikwijdte van de Nederlandse antimismatchmaatregelen is op dit punt te beperkt.5 De auteur analyseert of dit probleem via een richtlijnconforme interpretatie kan worden opgelost. Dat is volgens hem niet het geval. Onder de Nederlandse fiscale term ‘lichaam’ kan naar nationale maatstaven geen ‘natuurlijk persoon’ worden begrepen. Een dergelijke interpretatie is contra legem en strijdig met het verbod op een ‘omgekeerde rechtstreekse werking’ van een richtlijn, aldus de auteur. Het artikel sluit dan ook af met de zin dat de Nederlandse ‘antihybridemismatchmaatregelen, in weerwil van de richtlijn, geen toepassing kunnen vinden wanneer een hybride mismatch ontstaat met betrekking tot een natuurlijk persoon’. Die conclusie is, als ik het goed begrijp, vooral gebaseerd op de bewegingsruimte van lidstaten wat betreft de uitleg en toepassing van het secundaire Unierecht. Graag zou ik daar de discussie over de ruimte – rechten én plichten – op grond van het primaire Unierecht aan willen toevoegen.6

Rubriek(en)
Vennootschapsbelasting
Wetsartikelen
Auteur(s)
Ciska Wisman
Universiteit van Amsterdam / EY
NLF-nummer
NLF-W 2021/0033
Judoreg
NFB4516
Publicatiedatum
2 september 2021
bwbr0002672&artikel=13ab

X