Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent
X (belanghebbende) is actief in de tapijt- en vinylsector. Hij heeft in 2012 een pand gekocht en ingericht als voorraadopslag, kantoor, showroom en verblijf.
Bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2016 is de Inspecteur afgeweken van de aangifte. Hij stelt dat geen sprake meer is van een bron van inkomen, omdat vanaf 2012 tot en met 2018 alleen maar negatieve resultaten zijn behaald. Hij is uitgegaan van een staking van de onderneming per 31 december 2016 en heeft een stakingsverlies in aanmerking genomen van na bezwaar -/- € 39.049.
Rechtbank Den Haag heeft de aanslag verminderd, rekening houdend met een voorraadwaarde van € 5.000. X heeft hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Hof Den Haag deelt het oordeel van de Rechtbank dat X geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die tot de conclusie kunnen leiden dat er in 2016 objectief gezien sprake was van een redelijkerwijs te verwachten voordeel. De Inspecteur is terecht uitgegaan van een staking in 2016. Het Hof bevestigt ook het oordeel van de Rechtbank dat terecht geen rekening is gehouden met liquidatie- en afwikkelingskosten en gederfde huurinkomsten. Het hoger beroep van X is ongegrond.
Ook het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur is ongegrond. Hij maakt de door hem voorgestane waarde van de voorraad ad € 15.000 niet aannemelijk.
Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Belastingtijdvak
2016
Instantie
Hof Den Haag
Datum instantie
22 december 2021
Rolnummer
21/00324
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2021:2593

X