Direct naar content gaan

Samenvatting

Deze zaak is één van twaalf cassatieberoepen van niet-ingezeten beleggingsfondsen, waaronder X (belanghebbende), die met een beroep op het vrije kapitaalverkeer om teruggaaf van dividendbelasting hebben gevraagd omdat zij zich vergelijkbaar achten met ingezeten fiscale beleggingsinstellingen (fbi’s). De twaalf zaken zijn op de bedragen en de tijdvakken na nagenoeg gelijk, zij het dat sommige het fbi-regime tot 2008 betreffen (artikel 10, lid 2, Wet DB 1965: teruggaafregeling) en sommige het fbi-regime vanaf 2008 (artikel 11a Wet DB 1965: afdrachtvermindering) en dat in één zaak (23/02606, ECLI:NL:PHR:2024:161, NLF 2024/0668) bovendien een formeel punt aan de orde is, te weten de vraag naar het juiste dictum bij een (hoger) beroep tegen een abusievelijk gedane uitspraak op bezwaar over een jaar waarover geen bezwaar is ingediend.

De Inspecteur heeft teruggaaf c.q. afdrachtvermindering geweigerd omdat de belanghebbende, hoewel daar door de Inspecteur meermalen om gevraagd, geen dividendnota’s of ander bewijs van gerechtigdheid tot Nederlandse dividenden en van inhouding van Nederlandse dividendbelasting heeft overgelegd. Alleen daarom bestaat al geen recht op teruggaaf, aldus de Inspecteur, omdat niet kan worden vastgesteld dat en ten laste van wie hoeveel dividendbelasting is ingehouden. De Inspecteur achtte X overigens objectief niet vergelijkbaar met een dooruitdelings- en inhoudingsplichtige ingezeten fbi.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft het beroep van X ongegrond verklaard wegens onvergelijkbaarheid van X met een ingezeten fbi.

Hof Den Bosch is niet toegekomen aan beoordeling van de (on)vergelijkbaarheid van X met ingezeten fbi’s en evenmin aan toetsing aan het vrije kapitaalverkeer omdat X, hoewel diverse malen gewezen op het ontbreken van dividendnota’s en op de mogelijke gevolgen daarvan, geen dividendnota’s of ander concreet bewijs van inhouding te zijnen laste heeft overgelegd of anderszins inhoudelijk is ingegaan op het standpunt van de Inspecteur. Evenmin is gesteld of gebleken dat uitreiking van dividendnota’s achterwege is gebleven op grond van artikel 9, lid 3, Wet DB 1965. Teruggaaf c.q. vermindering stuit er dan al op af dat tegenover de betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk is gemaakt dat en, zo ja, hoeveel Nederlandse dividendbelasting in de desbetreffende jaren is ingehouden ten laste van X.

In cassatie stelt de gemachtigde van X dat de weigering van teruggaaf in strijd is met de vrijheid van kapitaalverkeer (artikel 63 VWEU), met algemene beginselen van behoorlijk bestuur en met algemene rechtsbeginselen waaraan de formele wet (het wettelijke fbi-regime) zijns inziens door de rechter getoetst kan worden ondanks het grondwettelijke toetsingsverbod, en dat het Hof met een verkeerde bewijslastverdeling de goede procesorde heeft geschonden.

A-G Wattel concludeert tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep van X op de gronden vermeld in onderdeel 5 van de (gemeenschappelijke) bijlage (ECLI:NL:PHR:2024:167, NLF 2024/0623) bij deze conclusie.

De Hoge Raad heeft de twaalf cassatieberoepen met toepassing van artikel 81 Wet RO ongegrond verklaard.

Zie ook de idem-conclusies (NLF 2024/0669 t/m NLF 2024/0678).

Metadata

Rubriek(en)
Dividendbelasting
Belastingtijdvak
2003-2007
Instantie
HR
Datum instantie
22 maart 2024
Rolnummer
23/02598
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:472
Auteur(s)
mr. R. Bagci
PwC
bwbr0002515&artikel=10,bwbr0002515&artikel=10,bwbr0002515&artikel=11a,bwbr0002515&artikel=11a

Naar de bovenkant van de pagina