Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving(2)
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie(2)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent(1)

X (nv, belanghebbende) is een in België gevestigde betaald-voetbalorganisatie (BVO). In 2010 heeft zij de bij haar onder contract staande voetballer A uitgeleend (verhuurd) aan een in een Nederland gevestigde BVO. A woont in België.

De Inspecteur heeft X over 2010 een naheffingsaanslag loonbelasting opgelegd.

In geschil is of Nederland naar nationaal recht en volgens het Verdrag Nederland-België bevoegd is om loonbelasting te heffen (ook) over het bij overeenkomst van 30 juli 2010 afgesproken eenmalige tekengeld van € 350.000 dat X aan A ter beschikking heeft gesteld.

Rechtbank Gelderland heeft geoordeeld dat de toewijzing van loon uit dienstbetrekking in artikel 15 van het Verdrag Nederland-België in de weg staat aan Nederlandse heffing.

Hof Arnhem-Leeuwarden daarentegen achtte niet artikel 15, maar artikel 17 (inkomsten van sporters en artiesten) van het Verdrag Nederland-België van toepassing. Het acht aannemelijk dat het tekengeld een beloning was voor werkzaamheden die naar verwachting in de contractperiode worden verricht en dat op 30 juli 2010 al zo goed als zeker was dat A de rest van het seizoen zou worden verhuurd. Artikel 17 wijst het heffingsrecht dan toe aan Nederland, waar de sportprestaties worden verricht.

Tegen dit oordeel heeft X met vijf middelen cassatieberoep ingesteld, maar A-G Wattel geeft de Hoge Raad in overweging het cassatieberoep ongegrond te verklaren. Het oordeel van het Hof is juist.

Rubriek(en)
Internationaal belastingrecht
Loonbelasting
Belastingtijdvak
2010 - 2011
Instantie
A-G
Datum instantie
8 december 2021
Rolnummer
21/02654
ECLI
ECLI:NL:PHR:2021:1161
bwbv0001563&artikel=15,bwbv0001563&artikel=17

X