Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(4)
  • Jurisprudentie(6)
  • Commentaar NLFiscaal(9)
  • Literatuur(1)
  • Recent(1)

De ouders van X (belanghebbende) hebben in 2011 de blote eigendom van een door hen bewoonde woning in Frankrijk overgedragen aan X, onder voorbehoud van een levenslang vruchtgebruik voor beide ouders en voor de langstlevende ouder. De overdracht heeft plaatsgehad naar Frans recht, en wel als een donation entre vifs à titre de partage anticipé. De vader van X is in 2012 overleden.


Voor Hof Den Haag was in geschil of de blote eigendom van de woning niet behoort tot de rendementsgrondslag van X op de voet van artikel 5.4, lid 3, aanhef en onderdeel a, Wet IB 2001 doordat een vruchtgebruik voor de moeder op de woning rust op grond van een uiterste wilsbeschikking dan wel buitenlands wettelijk erfrecht. Naar het oordeel van het Hof mist de bepaling hier toepassing. Voor de uitleg van het begrip ‘uiterste wilsbeschikking’ acht het Hof in dit geval mede het toepasselijke Franse recht van belang. Het Hof heeft geoordeeld dat de akte het karakter heeft van een notariële akte van schenking, en niet van een uiterste wilsbeschikking. Het vruchtgebruik is dus niet gevestigd op grond van een uiterste wilsbeschikking. Daarnaast is geen sprake van een verkrijging krachtens Frans erfrecht. De Inspecteur heeft de waarde van de blote eigendom van de Franse woning terecht tot de rendementsgrondslag van box 3 gerekend, aldus het Hof.


X betoogt in cassatie tevergeefs dat het Hof artikel 5.4, lid 3, aanhef en onderdeel a, Wet IB 2001 te beperkt heeft uitgelegd. De door X voorgestane uitleg van het wetsartikel vindt geen steun in de tekst, strekking of wetsgeschiedenis van die bepaling. Het Hof heeft met juistheid geoordeeld dat voor de uitlegging van artikel 5.4, lid 3, aanhef en onderdeel a, Wet IB 2001 dient te worden aangeknoopt bij het begrip ‘uiterste wilsbeschikking’ als bedoeld in artikel 4:42, lid 1, BW.


De uitleg van buitenlands recht kan in cassatie voorts niet op juistheid worden getoetst, oordeelt de Hoge Raad.


Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard.


Conform Conclusie A-G Niessen (NLF 2021/1246, met noot van Hoogwout).

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Belastingtijdvak
2013 t/m 2016
Instantie
HR
Datum instantie
22 oktober 2021
Rolnummer
20/03660
ECLI
ECLI:NL:HR:2021:1574
Auteur(s)
Theo Hoogwout
Erasmus Universiteit Rotterdam/FBN
NLF-nummer
NLF 2021/2070
Aflevering
4 november 2021
Judoreg
NFB4621
bwbr0011353&artikel=5.4

X