Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(4)
  • Jurisprudentie(161)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent(14)

Op zaterdag 2 februari 2019 om 21.07 uur stond de auto van X (belanghebbende) geparkeerd op de Groest in Hilversum.


Op het genoemde tijdstip mag op de Groest tegen betaling in de daarvoor bestemde parkeervakken worden geparkeerd. De auto stond voor het overgrote deel binnen, en voor een klein deel buiten het daarvoor bestemde parkeervak. Het parkeervak bevindt zich binnen vijf meter vanaf een kruising. X heeft geen parkeerbelasting voldaan.


In geschil is het antwoord op de vraag of aan X terecht een naheffingsaanslag parkeerbelasting is opgelegd. X stelt onder andere dat de auto niet geheel binnen het parkeervak stond geparkeerd, zodat niet voldaan is aan het begrip parkeren in de zin van artikel 225, lid 2, Gemw.


Hof Arnhem-Leeuwarden heeft X geen gelijk gegeven. Nu de auto voor het overgrote deel geparkeerd stond binnen de parkeerstrook, is er sprake van parkeren in de zin van de Verordening parkeerbelasting. Dat een gering gedeelte van de auto zich buiten de aangewezen parkeerplaats bevond, maakt dit niet anders.


X heeft tegen dit oordeel cassatieberoep ingesteld.


A-G IJzerman merkt op dat heffing van parkeerbelasting ingevolge artikel 225, lid 2, Gemw slechts mogelijk is waar het gaat om parkeren op een plaats waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden. Bijgevolg resteert voor dergelijke plaatsen de strafrechtelijke handhaving. Volgens de A-G is alleen in zoverre samenloop wettelijk verboden.


Hoewel X in het onderhavige geval zijn auto op een verboden wijze heeft neergezet, stond die op een plek waar parkeren, conform de aanwijzing als parkeervak door de gemeente, is toegestaan. Nu X zijn auto geparkeerd heeft op een door de gemeente als zodanig aangeduide parkeerplaats is hier volgens de A-G in zoverre de grondslag aanwezig voor de heffing van parkeerbelasting.


Volgens de A-G falen alle middelen en dient de Hoge Raad het cassatieberoep ongegrond te verklaren.

Rubriek(en)
Lokale heffingen
Belastingtijdvak
2019
Instantie
A-G
Datum instantie
28 oktober 2021
Rolnummer
21/00853
ECLI
ECLI:NL:PHR:2021:1013
Auteur(s)
Rogier Froentjes
EY
NLF-nummer
NLF 2021/2219
Aflevering
25 november 2021
Judoreg
NFB4666
bwbr0005416&artikel=225

X