Direct naar content gaan

Samenvatting

Een BV had over de jaren 1989 tot en met 1991 (laatstelijk op 21 november 1991) facturen met BTW voor bemiddelingsprovisies uitgereikt aan een andere BV (hierna: X). Die facturen waren echter nooit door X betaald. Op 29 november 1991 is aan X surseance van betaling verleend en op 31 januari 1992 is X failliet verklaard. Pas in januari 2000 dient de BV een vordering in bij de curator van X ter zake van niet betaalde facturen. Het faillissement is dan nog niet beëindigd. De curator wijst de vordering van de BV af. In 2002 is het faillissement geëindigd.
Op 22 februari 2000 heeft de BV aan de inspecteur verzocht om haar op de voet van artikel 29 van de Wet op de omzetbelasting (Wet OB) teruggaaf te verlenen van de over de jaren 1989 – 1991 aan X in rekening gebrachte omzetbelasting. De inspecteur wijst het verzoek af met toepassing van artikel 33 Wet OB. Ingevolge dit artikel moet een verzoek om teruggaaf geschieden bij de aangifte over het tijdvak waarop het recht op teruggaaf is ontstaan.
Het Hof heeft geoordeeld dat het de BV in 1991 duidelijk had moeten worden dat de facturen niet zouden worden betaald. Van het onderhavige verzoek had de BV daarom melding moeten maken op de aangifte over november 1991 dan wel januari 1992, aldus het Hof.
In cassatie oordeelt de Hoge Raad dat het recht op teruggaaf van omzetbelasting, als bedoeld in artikel 29 Wet OB niet eerder geacht kan worden te ontstaan dan op het tijdstip waarop redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de voldoening door de schuldenaar achterwege zal blijven (vgl. HR 4 september 1991, nr. 27.161, LJN ZC4665, BNB 1991/315). Voorts oordeelt de Hoge Raad dat een redelijke wetstoepassing meebrengt dat de ondernemer/crediteur enige beoordelingsvrijheid heeft met betrekking tot de vraag of redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de voldoening door de schuldenaar achterwege zal blijven. De teruggaaf van omzetbelasting dient evenwel uiterlijk te worden gevraagd bij de aangifte over het eerste tijdvak waarin betaling van de vergoeding in rechte niet meer kan worden gevorderd.
Nu het faillissement van X eerst in 2002 is geëindigd had het verzoek van de BV niet afgewezen mogen worden op de grond dat het te laat is ingediend, aldus de Hoge Raad. Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard. De BV heeft recht op een teruggaaf van 28.336 euro.

Metadata

Rubriek(en)
Omzetbelasting
Belastingtijdvak
1991
Instantie
HR
Datum instantie
16 oktober 2009
Rolnummer
08/00062
ECLI
ECLI:NL:HR:2009:BK0274
bwbr0002629&artikel=29&lid=1,bwbr0002629&artikel=31,bwbr0002629&artikel=29&lid=1,bwbr0002629&artikel=29

Naar de bovenkant van de pagina