Direct naar content gaan

Samenvatting

In 2012 heeft een projectontwikkelaar een fabriekscomplex gekocht. Het fabriekscomplex was sinds 1982 niet meer in gebruik en was ernstig in verval geraakt. Het complex is in 1999 als rijksmonument in het monumentenregister opgenomen. In 2009 is de bestemming van het fabriekscomplex gewijzigd van ‘industrie’ naar ‘industrie en retail’. Met het oog op die nieuwe bestemming heeft de projectontwikkelaar het complex in vier bouwdelen, aangeduid met A, B1, B2 en C, ontwikkeld tot een winkelgebied.

De vier bouwdelen zijn geleverd aan X (SARL; belanghebbende). X heeft voor deel B1 een prijs betaald van € 13.126.628,12. De aan dit deel toe te rekenen uitgaven van de verkoper bestaan uit een aanschafprijs van € 1.400.000 en investeringskosten van ongeveer € 11.000.000.

In geschil is of de verkrijging van bouwdeel B1 is vrijgesteld van de heffing van overdrachtsbelasting op grond van artikel 15, lid 1, aanhef en onderdeel a, Wet BRV. Meer specifiek is in geschil of bouwdeel B1 kan worden aangemerkt als een nieuw vervaardigd onroerend goed in de zin van artikel 11, lid 1, onderdeel a, onder 1°, Wet OB 1968.

Hof Den Bosch heeft geoordeeld dat geen sprake is van in wezen nieuwbouw ten aanzien van bouwdeel B1. Aan X is dus geen nieuw vervaardigd goed geleverd, aldus het Hof.

X heeft cassatieberoep ingesteld en de Hoge Raad verklaart dat gegrond.

Bij de beantwoording van de vraag of in wezen een nieuw gebouw is ontstaan, moet worden vastgesteld wat er in bouwkundig opzicht met het bestaande gebouw is gebeurd. Alleen wijzigingen in de bouwkundige constructie, daaronder begrepen vervanging (van een deel) van de bestaande bouwkundige constructie, kunnen de conclusie rechtvaardigen dat een verbouwing zo ingrijpend is geweest dat daardoor in wezen een nieuw gebouw is ontstaan. Of zulke wijzigingen zodanig ingrijpend zijn geweest, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Het Hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door niet de ingrijpendheid van de bouwkundige veranderingen doorslaggevend te achten voor de beoordeling of aan X een vervaardigd gebouw in de zin van artikel 11, lid 3, onderdeel b, Wet OB 1968 is geleverd.

De Hoge Raad doet de zaak af. In casu is sprake van zodanig ingrijpende wijzigingen in de bouwkundige constructie dat geen andere conclusie mogelijk is dan dat sprake is van ‘in wezen nieuwbouw’ en dus een vervaardigd gebouw in de zin van artikel 11, lid 3, onderdeel b, Wet OB 1968. De uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant moet worden bevestigd.

Conform Conclusie A-G Ettema (NLF 2022/0304, met noot van Wolf).

Metadata

Rubriek(en)
Belastingen van rechtsverkeer
Belastingtijdvak
2012
Instantie
HR
Datum instantie
11 november 2022
Rolnummer
15/01344
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:1609
NLF-nummer
NLF 2022/2336
Aflevering
1 december 2022
Judoreg
NFB5362
bwbr0002629&artikel=11&lid=1,bwbr0002629&artikel=11&lid=1,bwbr0002740&artikel=15&lid=1,bwbr0002740&artikel=15&lid=1

Naar de bovenkant van de pagina